dinsdag 3 april 2012

Mijn naam is Legioen



Er zijn te veel dichters van wie ik nauwelijks wat gelezen heb. Nou ja, wat losse gedichten. Het rare is: die vond ik ook nog goed en toch heb ik geen bundel gekocht van, pak hem beet, Astrid Lampe, Erik Menkveld, Pieter Boskma. Er is geen deugdelijke reden voor, maar het is zo. Zo had ik ook nooit een bundel gekocht van Menno Wigman. Maar nu wel: Mijn naam is Legioen.


Nachtrit
Man, eenentwintigste eeuw, kaal, gezet
en met een onvervreemdbaar recht op seks
('Mijn naam is Legioen, wij zijn met velen'),
jaagt door de late nacht over de weg
en wil zijn lichaam met gevrouwte delen.
De pompen van de Shell. Het pooierslicht.
Vol moed een meisje achter glas betalen.
Vol moed aan nieuwe vrouwen denken, echt,
elektrisch, kil verhit, maar denken, denken -
een herdershond, onthand en underfucked,
al jaren in zichzelf verongelukt,
maar met drie namen in zijn telefoon,
drie namen vol belofte van geluk.
Hij belt. Zijn recht op seks. Op scherpe meiden.
Waarom heb ik toch medelijden?

Er komt een man het gedicht binnenrijden en meteen daarna is er de eenentwintigste eeuw. Daarmee zegt het gedicht niet alleen dat het om een hedendaagse man gaat, maar misschien geeft het ook wel een beeld van deze eeuw.

Het is geen schoonheid, deze man ('kaal, gezet'), maar hij vindt dat niemand hem het recht op seks kan afnemen. Zijn naam is Legioen, zoals tegen Jezus de man zei in wie een heel leger van duivels huisde. Zo'n uitspraak, die het ook tot de titel van de bundel heeft gebracht, kan wijzen op de bezetenheid van de man, maar ook op zijn versnipperdheid, lijkt me.

Door het woord 'gevrouwte' viel ik meteen voor dit gedicht. Prachtig woord, dat qua vorm lijkt op 'gebladerte' en 'gedierte'. Het ontpersoonlijkt: dondert niet welke vrouw het is, als het maar vlees is.

In de tweede strofe valt de herhaling op: twee keer 'Vol moed'. Dat doet Wigman vaker:
Sterk spul of niet: de uitvaart van het boek,
we naderen de uitvaart van het boek.
en:
Niets weet je van wie hier je asbak leegt.
Niets weet je van wie hier de lakens schikt.
Het heeft iets onbeschaamds. Veel dichters zouden naar variatie zoeken, maar Wigman niet. Je moet het maar durven. Bij andere, mindere dichters zou het een teken van zwakte zijn. Bij Wigman is het een keuze.

Dat er twee keer verteld moet worden dat de man 'vol moed' is, duidt er wellicht op dat die moed wat opgeklopt wordt, dat hij die misschien toch heeft moeten verzamelen. Dat er een twijfeltje in hem schuilt en daardoor zijn gebaren net iets te breed te zijn.

Echt. Hij zoekt naar echte vrouwen, maar wel bij hoeren, die voor hun beroep mannen afwerken. Daarom kunnen 'kil' en 'verhit' ook gezusterlijk naast elkaar staan in dit gedicht.

De man blijft maar 'denken, denken'; het maalt door zijn kop. Bij de herdershond in de volgende regel zie ik de tong al uit de bek hangen. De man jaagt achter de vrouwen aan, maar doet dat 'onthand' en is 'al jaren in zichzelf verongelukt'.

Hier, en niet pas in de laatste regel, komt de deernis het gedicht al binnen, als een hond, kop gebogen, staart naar beneden. Ach, dat triomfantelijke vermelden van de drie namen in de telefoon. We halen onze schouders op. 'Scherpe meiden'. Ja, zo zul je er wel over moeten opscheppen denk ik.

Misschien had de dichter boven de man willen gaan staan, had hij diens belachelijkheid willen laten zien, maar het lukt hem niet. In de laatste regel kan hij zelf niet meer uit het gedicht blijven en dan kan hij de man alleen nog maar met medelijden bezien. Daarmee is hij met de man verbonden.

Zo schreef Wigman ook al over een man in de supermarkt ('een man, klein, dik, met onbemand gezicht / die keek alsof hij Ron of Ruud moest heten.'). Die man had hij ook graag onder uit de zak gegeven:

En ik was in verwachting van een scheef
gedicht, wou hem haten, kon het niet -
want alles wat hij droomt, dacht ik, droom ik
niet beter. Goed, gegroet dus, vale oom
die net zo magisch over lakens droomt. 

Ook de naam van de dichter is Legioen. Hij blijkt niet alleen in zijn eigen lichaam te huizen, maar hij herkent zich ook in de ogen van de mensen om zich heen. In de man in de supermarkt, of de man met de drie namen in de telefoon. En wij moeten met de dichter meekijken. Ook onze naam is Legioen.

Er is natuurlijk meer, veel meer, over de bundel van Menno Wigman te zeggen. Dat gedicht over zijn moeder bijvoorbeeld, dat al in verschillende kranten heeft gestaan ('Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok / nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist, / en steeds dezelfde dag uitzit.'), maar ook het gedicht over Van der Lubbe ('Marinus heet ik, makker, en mijn naam / zal als een steekvlam boven Duitsland staan.') .

En wat te denken van zinnen als:
Ik zou wel willen dat het anders was.
Dat is het ook. Je mist iets en verpleegt het.
Of:
De angst. De witte wimpers van de angst
dat ik mijn leven heb verschreven.
Dat dus.  Onder dat strakke metrum, dat uitgekiende rijm, die beheerste vorm, woelt altijd iets bij Wigman, wordt er getwijfeld en gewankeld. De gedichten staan als een huis, maar je 'hoort het water onder je vloeren woelen'. Poëzie waar de dichter zich aan vast moet houden, poëzie omdat het moet.

En wij, jullie ook dus, moeten dat lezen. Vind ik.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen