vrijdag 17 november 2017

Wills kracht (Willem Ritstier)


Eerder dit jaar ontving Willem Ritstier de Stripschapsprijs voor zijn gehele oeuvre. Dat mocht ook onderhand wel, al was het wel opmerkelijk: meestal gaat de prijs naar een tekenaar en Ritstier is voornamelijk bekend als scenarist.

Dat hij zowel kan tekenen als schrijven bewijst hij met de graphic novel Wills kracht. De aanleiding is verdrietig. De echtgenote van Ritstier ontdekt een knobbeltje in haar borst. Het blijkt kanker te zijn, en uiteindelijk zal ze aan die ziekte overlijden, na een gang van vijf jaar door de medische wereld.

Ritstier is dicht gebleven bij wat er in werkelijkheid gebeurd is. Hij vertelt na wat hij en zijn vrouw hebben meegemaakt. De titel wijst ons op de kracht van Will, die weliswaar patiënt is maar haar eigen afwegingen maakt en daarin ook een zekere eigenzinnigheid heeft.

Bij de diagnose en de behandeling van de ziekte blijkt veel onduidelijk. De artsen kunnen geen stellige uitspraken doen. Behandelen blijkt gedeeltelijk ook uitzoeken wat werkt. Will wijst een reguliere behandeling af en richt zich op alternatieve behandelwijzen als osteopathie en orthomoleculaire behandelwijze. 'Dat is toch kwakzalverij?' vraagt een vriendin. 'Ja, dat zeggen ze,' antwoordt Will, 'maar is dat ook zo?'

Willem steunt zijn vrouw in haar keuzen, zoals hij haar in eigenlijk alles steunt. Hij is er  en ze weet dat ze altijd op hem terug kan vallen.

Het is niet voor het eerst dat er een beeldroman verschijnt over een fataal aflopende ziekte. Ik denk bijvoorbeeld aan Toen David zijn stem verloor, van Judith Vanistendael. Vanistendael schreef en tekende een intiem portret van een stervende vriend.

Er zijn zeker overeenkomsten tussen Wills kracht en Toen David zijn stem verloor, maar de manieren van tekenen verschillen nogal. Vanistendael heeft bijvoorbeeld een dun, zoekend lijntje en Ritstier heeft een vrij forse lijn, die overal even dik is. Verder gebruikt Vanistendael weinig kleur en Ritstier kleurt zijn tekeningen helemaal in, zonder kleurnuances. Zijn kleurgebruik is soms symbolisch, bijvoorbeeld als hij het grijs laat overheersen.

Dat gebeurt al op de eerste pagina. In de bovenste tekening vertelt de dokter (in kleur) dat hij het niet vertrouwt en dat hij Will doorverwijst, in de onderste tekening hoort Will dat. Die tekening is ingekleurd in grijzen.

De egale inkleuring draagt bij aan de soberheid, die ook in de rest van de tekeningen zit: minimale decors en bij figuren is ook elke detaillering weggelaten. Zo zijn de gezichten leeg: geen ogen, neus of mond.

Dat betekent dat Ritstier de emoties indirect over moest brengen. Ook in de tekst worden gevoelens  eigenlijk nauwelijks expliciet benoemd. Het blijkt ook niet nodig te zijn. Het tekenen en zeker het uitvergroten van emoties kan in andere boeken ook een vorm zijn van het bespelen van het publiek, van effectbejag. Daar heeft Ritstier in ieder geval niet voor gekozen.

In Wills kracht zit de emotie in de positie die de personen hebben ten opzichte van elkaar, namelijk dicht bij elkaar, elkaar steunend met weinig woorden, door er domweg te zijn, door de ander in geen geval af te vallen. Als de situatie onzeker is, heb je in ieder geval elkaar nog.

Dat maakt Wills kracht tot een aangrijpend boek. Het verhaal lijkt simpel, maar je weet dat het ingewikkeld is. Dat hoeft dus niet uitgelegd te worden. Het adagium 'show, don't tell' geldt voor het hele boek: Ritstier laat het ons zien: Dit is het. Dit is het leven, ook als het op een einde loopt. En dit zijn wij. De lezer leest: Dit is liefde.

Ook de kinderen zijn bezig geweest met het verlies van moeder. Zoon Alwin maakte er een film over (die ik nog moet/ga bekijken) en dochter Veerle maakte een mooi portret, opgebouwd uit teksten van brieven die Willem na haar dood aan zijn vrouw schreef. Het portret is opgenomen in het boek.

Ritstier eindigt zijn boek met  het lied My way, waarbij we allemaal de stem van Sinatra horen. Op elke pagina een portret van Will, en in de loop van die pagina's verbleekt de kleur. Uiteindelijk vervaagt ook de tekening, totdat er niet meer dan een puntje licht in het donker overblijft.

Dat is een portret van het verdwijnen van Will en tegelijkertijd weet je dat ze niet verdwenen is. Anders was dit boek er nooit gekomen.




donderdag 16 november 2017

Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij (Knipoog 67)


Kent u deze regels?
Maar het vergankelijke kent geen keer
dan in de opstanding der herinneringen.
Waarschijnlijk niet. De regels staan in het gedicht 'Herinnering' van J.C. Bloem. Wellicht zijn de openingsregels iets bekender:
De gloeiende avond in de kleine stad:
Verlichte ramen stonden ruischend open
Maar het bekendst is natuurlijk de slotregel:
Voorbij, voorbij o en voorgoed voorbij. 
 Deze regel is ook te vinden op grafsteen van Bloem.


In de loop der jaren hebben al heel wat mensen als er iets voorbij was, al dan niet ironisch, dit geciteerd.

In 1979 verscheen er bijvoorbeeld een film van Paul Verhoeven met de titel Voorbij, voorbij. In de film gaat het om de vraag of je bijna vijfendertig jaar na de oorlog het verleden moet laten rusten of niet.

Op Meander recenseerde Hans Puper op 11 mei 2015 de bundel Mijn vader bad van Jabik Veenbaas onder de titel 'Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij'.

Op de weblog Over koetjes en kalfjes (2012) schrijft Hendrika over haar schoonmoeder, een boerin, die overleden is. Ook zij gebruikt het citaat van Bloem.

Steeds weer komen we het citaat tegen: Op Woest en ledig (2007) over oude kinderboeken; bij de Zwolse historische vereniging onder een foto van een watertoren; Jan Blokker schreef een boek met deze titel (waarbij de 'o', 'oh' werd); in NRC bij een artikel over de herdenking van J.C. Bloem (1992); in het weekblad Elsevier boven een artikel over het tennistoernooi op Wimbledon; in de Volkskrant boven een artikel met nota bene gedichten van Remco Campert (1996); in De groene Amsterdammer boven een tv-recensie van programma's over oude mensen (2014) en in Trouw over Maison de Bonnetterie. Je hoeft niet ver te zoeken om Bloem te horen spreken.

Op vrijdag 2 november kwam ik een variant op het citaat tegen in NRC Handelsblad: ' Die luxe gaat voorbij, o en voorgoed voorbij'. Het stond boven een stuk van Derk Walters over een boek van Philip Blom, Wat op het spel staat. 

Walters schrijft: 'maar volgens Blom is het tijd om afscheid te nemen van de idee dat wij nog jaren voort kunnen met onze liberale, consumentistische westerse samenleving. Dit type samenleving gaat eraan en snel ook. Daar zal de titel mee te maken hebben.

Er zullen heel wat lezers zijn, die bij het lezen van Walters' titel aan Bloem hebben gedacht. Walters zal goed ingeschat hebben dat zo'n knipoog nog door veel mensen begrepen wordt. We zullen een verwijzing naar het citaat van Bloem in de toekomst zeker nog tegenkomen. Wie weet, brengt dat er ons toe om de poëzie van Bloem te gaan (her0lezen. Dat is altijd goed.

Waarom ik mensen niet in mootjes hak (Renske de Greef)


Op de site van Literair Nederland bespreek ik Waarom ik mensen niet in mootjes hak van Renske de Greef, een bundel getekende en geschreven columns. 'Renske stript' staat er op het titelblad, dus wellicht kunnen we het boek ook als een stripboek lezen.

Een portret in stukjes

Columns zijn overal: in zo’n beetje alle kranten en tijdschriften in verschillende radioprogramma’s, op aardig wat sites. En dan zijn er nog bijeenkomsten waar columnisten opdraven om, bijvoorbeeld als intermezzo, hun column voor te lezen. Sommige columnisten hebben een eigen vorm (altijd uitgaan van een foto bijvoorbeeld), andere hebben hun eigen onderwerp (nieuwtjes in de wetenschap, jeugdschaak, kantoortaal) en vele hebben hun eigen toon.

Renske de Greef maakt wekelijks een column voor NRC Handelsblad. Ze schrijft en tekent die. Het is een vorm die bijvoorbeeld ook onze stripmaker des vaderlands, Margreet de Heer, wel hanteert. Het gevolg is dat een strip van De Greef meteen herkenbaar is, door de lettering en de tekeningen: haar mensen hebben altijd grote ogen, wat ze al bij voorbaat iets sympathieks geeft. Er loopt vaak een figuurtje rond dat verwijst naar de ‘ik’ in de columns, waarbij zo’n ik-personage natuurlijk nooit helemaal samenvalt met de auteur, al wordt wel de indruk gewekt dat De Greef vrij dicht bij zichzelf blijft.

Een aantal columns is nu verzameld in de bundel Waarom ik mensen niet in mootjes hak. De tekeningen hebben meestal een enkele steunkleur. Af en toe worden er meer kleuren gebruikt en regelmatig is er een volledig gekleurde dubbele pagina. Dat ‘leest’ een beetje als het begin van een nieuw hoofdstuk, al is er inhoudelijk geen sprake van hoofdstukken. Toch is een dergelijke segmentering prettig: je krijgt de indruk dat je niet zomaar een ongestructureerde hoeveelheid stukjes voor je hebt.

Vaak gaat De Greef uit van een waarneming of een vraag. Die overdenkt of onderzoekt ze en vaak komt ze uit op een conclusie of een advies. Ze heeft een zoekende instelling, die veel lezers prettig zullen vinden. Je leeft nu eenmaal gemakkelijker mee met iemand die ook niet meteen weet hoe het zit.

Lees de rest van het stuk hier.


woensdag 15 november 2017

Omdat je het waard bent (Marja Pruis)


Nieuw Licht is een interessante essayreeks, waarin vanuit het gedachtegoed van filosofen uit het verleden gekeken wordt naar zaken in het heden. Eerder schreef ik over Onbehagen van Bas Heijne, die de opvattingen van Freud toepaste op het onbehagen, de boosheid zo je wilt, om ons heen.

Marja Pruis werd gevraagd om te schrijven over eigenliefde. We leven immers in een selfiecultuur, waarin we onszelf exposeren op de sociale media. Hoe moeten we daarnaar kijken als we in ons achterhoofd het werk van François de la Rochefoucauld (1630 - 1680)?

De la Rochefoucauld is bekend geworden door zijn Maximen. Bespiegelingen over menselijk gedrag. Het zijn aforismen, waarvan Pruis er ook een aantal heeft opgenomen achter in het boekje en ook in de loop van het essay komen ze terug.

In veel van zijn uitspraken houdt De la Rochefoucauld zich bezig met wat wij nu psychologie zouden noemen. Hij verdiept zich in de drijfveren van mensen. In zijn tijd zullen zijn uitspraken ook wel als ontmaskerend gezien zijn.
62
Eerlijkheid komt recht uit het hart. Ze komt maar bij heel weinig mensen voor. Wat we er gewoonlijk voor aanzien is een geraffineerd veinzen om het vertrouwen van de ander te winnen. 
169
We betrachten onze plicht uit luiheid en angst, maar geven onze deugd vaak alle eer. 
Vaak werkt De la Rochefoucauld met personificaties, zoals:
200
De deugd zou het niet zo lang volhouden als ijdelheid haar geen gezelschap hield. 
Veel aforismen doordenken wat het is om een goed mens te zijn en of dat eigenlijk wel kan. Wie ze snel leest, zou kunnen concluderen dat er veelvuldig open deuren worden ingetrapt, maar dat komt waarschijnlijk doordat we de inhoud bevestigen of herkennen. Bovendien leven we in een maatschappij waarin er in de media, zelfs in wat objectieve berichtgeving had moeten zijn, veel gespeculeerd wordt over drijfveren van bijvoorbeeld politici. Er is veel gepsychologiseer en er is veel aandacht voor emoties ('Wat ging er door je heen?').

Marja Pruis probeerde nader te komen tot De la Rochefoucauld door zijn maximen over te schrijven. Daarbij stelde ze zich de vraag of de mens in de loop van de tijd meer van zichzelf is gaan houden en of dat dan positief nieuws is.

Het aardige van het boekje van Pruis is haar niet-rechtlijnige manier van schrijven. Natuurlijk is er structuur in het essay, maar ze gebruikt ook voorbeelden uit haar familie, die je half als een verhaalfragment leest. Pruis schrijft ook romans, dus dat is haar wel toevertrouwd. Bij alles wat ze beweert blijft er altijd een opening voor tegenspraak. Ze geeft ons geen dichtgetimmerd betoog, maar een beschouwing waarin ze vragen opwerpt en zoekt naar een antwoord.

De la Rochefoucauld was richtte zijn pijlen vaak op de schijnbare deugdzaamheid. Die stoelde maar al te vaak op egoïstische motieven.

Pruis ziet, zoals wij allen, hoe iedereen zich exposeert, maar acht het te simpel te zeggen dat mensen nu meer van zichzelf houden. Zo'n conclusie was overigens niet vreemd geweest. Als kind moeten we immers onszelf al ontplooien en er is veel aandacht voor de persoon en zijn emoties. Met zoveel persoonlijke aandacht ligt het voor de hand dat iedereen gaat denken dat hij heel speciaal is.

Wij zijn bovendien geneigd elkaar overmatig te prijzen. Een kind dat op het schoolplein iets kwam overhandigen aan de juf (een vrij simpele handeling) kreeg bijvoorbeeld niet een 'dankjewel', maar een 'super!'

Zoals gezegd, zo simpel is het niet. Pruis haalt het voorbeeld aan van een actrice die zich vergelijkt met het personage dat ze speelt in een film. Ze verklaart niet zo bescheiden te zijn als het personage: 'Zo waardevol vind ik mezelf niet.'

Pruis;
De koppeling van bescheidenheid aan eigenliefde is een vergelijkbare paradox als angst aan moed, verlegenheid aan heerszucht, zelfpromotie aan wegcijfering. Wie bang of verlegen is moet zichzelf voortdurend overwinnen. De zachtaardigen bestieren de wereld, de rouwdouwers liggen te woelen in hun bed. 
Een mooie passage, waarop ik nog wel even moet kauwen. Ik weet nog niet of ik het ermee eens ben, maar ik ben blij met de prikkeling om erover na te denken.

Uit deze paradox blijkt al hoe weinig eenduidig eigenliefde is, maar ook hoe moeilijk af te bakenen. Ze kan uitlopen op zelfverheerlijking, maar even goed op zelfhaat. Zoals Pruis in de slotregel van haar essay schrijft:
(...) als eigenliefde zo'n groot podium vindt, is zelfhaat nooit ver weg. 
Of, zoals het eerder in het slothoofdstuk verwoordt:
Een besef van grootsheid en verachtelijkheid gaan hand in hand en komen uit dezelfde bron van eigenliefde. 
 Opmerkelijk is de aandacht die Pruis heeft voor religie. Ze is opgegroeid in een religieus gezin, maar is zelf niet meer religieus. Ze noemt haar leven relatief goddeloos. Al op de derde pagina in haar boek schrijft ze:
Dat er straks misschien geen echo meer is van godvrezende mensen vind ik idioot genoeg eerder vreeswekkend dan bevrijdend. Alsof met enig godsbesef ook het ontzag verdwijnt, de nederigheid, de stilte de naastenliefde. En de eigenliefde almaar grotesker proporties zal aannemen, met onvoorziene gevolgen. 
Ze is niet de enige die de prominentere eigenliefde koppelt aan het verdwijnen van God uit onze samenleving. Pruis haalt bijvoorbeeld ook Frank Koerselman aan en Jan Denys.

Ze diept niet uit wat de godsdienst betekend heeft voor het zelfbeeld van de gelovigen. Er zijn kerken waarin geleerd wordt dat de mens geneigd is tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed. In zonden ontvangen en geboren, immers. Wat voor mensen levert een dergelijk geloof op? En wat doet het gebod om je naaste lief te hebben als jezelf met je?

In ieder geval leert het geloof dat de mens niet het belangrijkste is. Het draait niet om jou, er is iets wat jou ontstijgt.

Pruis:
Tegelijkertijd kan ik me niet voorstellen dat de mens ervoor toegerust is te overleven in een geseculariseerde samenleving. Dat hij het klaar zou spelen om de zin uit zichzelf te putten in plaats van uit iets wat een opdracht belooft, en de beloning dat je die hebt vervuld. Daarvoor lijkt er domweg te veel druk te zijn komen staan op het ego, met alle gevolgen van dien. 
Denys zegt dat met het verdwijnen van een hiernamaals de druk op het nu groter geworden is, waarmee er 'leefstress' is ontstaan. Volgens Koerselman is er een disbalans ontstaan in de menselijke basisbehoeften aan geborgenheid, autonomie, status en competitie. Ook dat voert hij voor een deel terug op de secularisatie:
Het geloof gaf geborgenheid, en relativering. Nu de mens een individu is, alleen in een kale wereld, draait alles om erkenning. 
Het zou interessant zijn om een vergelijking te maken tussen Nederland en Europese landen die minder ontkerkelijkt zijn. Hoe zit het daar met de leefstress? En hoeveel mensen maken daar gebruik van social media?

Pruis koppelt eigenliefde aan zingeving. Als de zin van het leven niet te halen is uit een grotere opdracht, moet de mens de zin vinden in het eigen leven. Zij vermoedt dat wij daar eigenlijk niet geschikt voor zijn. Of ik dat met haar eens ben, weet ik (nog) niet. Het is in ieder geval een geluid dat je niet frequent hoort.

Omdat je het waard bent is een interessant boekje, dat ons aan het nadenken zet over de wereld waarin wij leven. En passant krijgen we ook nog heel wat van De la Rochefoucauld mee. Ook dat is mooi meegenomen. Laten we hem het slotwoord geven.

39
Eigenbelang spreekt allerlei talen, en speelt allerlei rollen, zelfs die van onbaatzuchtigheid.

49
We zijn nooit zo gelukkig of ongelukkig als we denken.

190
Alleen grote mannen hebben recht op grote tekortkomingen.

woensdag 8 november 2017

Wol (Aart Taminiau)


Aart Taminiau tekende en schreef een beeldroman over de neergang van een textielfamilie in Tilburg. Het boek bestaat uit louter pentekeningen, zonder het gebruik van een steunkleur. Ik schreef daarover voor Literair Nederland.

De dreiging van het duister

De graphic novel Wol van Aart Taminiau geeft al bij de eerste keer doorbladeren een fraaie aanblik: een kloek, gebonden boek met fijne pentekeningen. Bij dat doorbladeren valt ook op dat de rechterkant van elke dubbele bladzijde een zwarte achtergrond heeft. Ook de tekeningen zijn in dat gedeelte donker. In de loop van het boek neemt het zwart een steeds groter deel van de pagina in beslag.

Het verhaal behelst de nadagen van de Van Mergaerts, een aanzienlijke familie in Tilburg, die een positie heeft in de wolhandel. Zoals de pater familias in het boek zegt tijdens een toespraak: ‘Onze familie is het bedrijf en het bedrijf is onze familie.’

De wol komt van een schapensoort met een zwarte kop, de Scottish Blackface. Dat geeft de Van Mergaerts een voorsprong. En als op dat moment (we bevinden ons in de industriële revolutie) er een machtige machine in gebruik wordt genomen, de zogeheten totaalmachine, is het optimisme enorm.

We kijken als lezer mee met neef Alphons, die terugkeert in de familie. Zijn vader heeft met de familie gebroken en als Alphons terugkeert, stapt hij vanuit het duister in het licht. Maar zo licht blijkt de oude en tegelijkertijd nieuwe omgeving niet te zijn.

De totaalmachine wordt met veel tamtam in gebruik genomen, maar de tekeningen van het binnenste van de machine bevinden zich steeds in het donkere gedeelte van de bladzijde. Van daaruit wordt het donkere deel al snel groter.

Het spel met licht en donker speelt Taminiau geraffineerd. Hoe duister de tekeningen in het donkere gedeelte ook zijn, Taminiau is wel blijven tekenen met zijn pennetje. Hij gebruikt niet een penseel om zwarte vlakken aan te brengen, maar beperkt zich tot dichter wordende arceringen. De zwarte randen om de kaders bepalen voor een groot deel het zwarte van die passages.

De rest van de recensie lees je hier.

maandag 6 november 2017

Hoor nu mijn stem (Franca Treur)


Franca Treur heeft in haar debuut Dorsvloer vol confetti uitvoerig geschreven over het milieu waarin ze is opgegroeid: een orthodox christelijke plattelandsgemeenschap. Blijkbaar was ze daar nog niet klaar mee, want ze neemt het onderwerp opnieuw onder handen in haar roman Hoor nu mijn stem. Tot mijn plezier, trouwens.

Geraldina (Ina) Wisse groeit, net als Kathelijne in Dorsvloer, op in een reformatorisch gezin in Zeeland: bij haar opa en diens zusters tante Ma en tante Sjaan. Tante Ma is 'bekeerd' en voor de jonge Ina is ze een voorbeeldfiguur. De verhaallijn over Ina, die zich in het verleden afspeelt wordt in de ik-vorm verteld.

Later zal Ina gaan studeren en nog later zal ze bij de radio gaan werken. Ze noemt zich dan Gina en interviewt gasten bij het programma 'Kennis & Kunde'. Haar verhaal wordt in de even hoofdstukken in de zij-vorm verteld. Dat schema houdt Treur strak aan. Deze periode, waarin Ina/Gina geconfronteerd wordt met een andere wereld dan de haar bekende is nieuw in vergelijking met Treurs debuut.

Opa overlijdt en de tantes worden oud. Gina keert terug naar het huis van haar jeugd, omdat tante Sjaan 'op haar uiterste' ligt. Ze is dan al opgenomen in een verzorgingshuis. Met tante Ma blijkt het overigens ook niet goed te gaan. Gina verzorgt haar.

Gina heeft zich ontwikkeld van het milieu en het geloof van haar jeugd af, maar ze is nu weer terug op het beginpunt. Van die ontwikkeling weten de tantes niets af; Gina heeft de wereld waarin ze opgegroeid is en de wereld waarin ze terechtgekomen is altijd zoveel mogelijk gescheiden gehouden. Als ze terug is, denkt ze:
In dit huis had nog nooit een stem uit de ether geklonken, nooit een andere dan de stem van God.
Ze was weer terug bij af.  
Voor een goed doel heeft Gina haar haar af laten knippen. Daarom draagt ze een pruik. Die wordt in de loop van het verhaal een symbool van het ophouden van de schijn. Pas als tante Ma overleden is, zet Gina haar pruik af, alsof ze dan pas kan laten zien wie ze werkelijk is. Ook dan pas kan ze zeggen dat ze van tante Ma houdt. Ze is zich in de loop van haar leven ook bij tijden aan haar oudtante gaan ergeren.

Zoals al gezegd: Franca Treur houdt een strakke opbouw aan, die ook inhoudelijk verantwoord is: doordat Gina terugkeert naar de plaats van haar jeugd, wordt ze bepaald bij haar vroegere leven. Binnen het heden speelt het verleden een onontkoombare rol. Ze wordt gedwongen om over zichzelf na te denken, vooral ook omdat haar relatie met Jean-Paul net afgelopen is.
Als Jean-Paul voor iemand anders had gekozen, betekende dat dat hij bezig was haar te vergeten. Maar als zij vergeten was, wie was ze dan nog?
Als interviewster is Gina behoorlijk succesvol, maar nu ze een tijdje niet beschikbaar is, lijkt er meteen gezaagd te worden aan de poten van haar stoel. Die verhaallijn laat Treur nogal versloffen. Gina ziet op een gegeven moment dat ze op haar telefoon de datalimiet heeft bereikt en dan laat ze ook verder het contact met de radiowereld achterwege. Dat is niet zo geloofwaardig.


Zelfbeeld

Gina denkt niet zo positief over zichzelf. Ze ziet zichzelf als een aanstelster en zo zag ze zich al vanaf haar jeugd. In die lijn zit nog een plotje, als ze tot de ontdekking komt dat ze zichzelf die aanstellerij aangepraat heeft.

Afgezien van de aanstellerij heeft Gina geen hoge dunk van zichzelf. Met betrekking tot God denkt ze al in haar jeugd:
Diep in mijn achterhoofd was er altijd dat knagende besef dat Hij mij nooit zou vergeven omdat Hij mij niet moest. Ik begreep dat heel goed. Ik moest mezelf ook niet.
Volgens het geloof waarin Gina is opgegroeid is er weinig goeds in de mens; die is immers geneigd tot alle kwaad en zelfs als het de mens zou lukken zonder zonden te leven, dan is hij nog maar een onnutte dienstknecht die alleen maar doet wat hem opgedragen is. Maar de mens schiet altijd tekort en zal altijd zonde op zonde stapelen. Die opvatting zal zeker debet geweest zijn aan het zelfbeeld dat ze ontwikkeld heeft.

Ook in relatie speelt dat Gina parten. Over een eerdere vriend, Gerard, vertelt Gina bijvoorbeeld:
Ik had lang over hem nagedacht en geconcludeerd dat ik van hem hield met een mengsel van medelijden en minachting, voortgekomen uit zijn betrouwbaarheid en zijn goedheid, die ik beide niet verdiende want zelf was ik betrouwbaar noch goed.

Geloof

Tijdens haar studie verliest Gina haar geloof. Of, zoals het in Hoor nu mijn stem staat:
Nee, ze had het geloof niet verloren, ze had het afgelegd. Of liever: het had haar verloren. (...) Ze was nog nooit zo opgelucht en tegelijkertijd gedeprimeerd geweest.
Ook als ze het geloof al kwijt is, spreekt ze nog over haar ziel. Met betrekking tot Jean-Paul:
Hij voorzag in de behoeften  van har ziel. De leegte in haar onderbuik kon niet door hem - of door welke man dan ook- worden opgevuld.
Het lijkt me te simpel om de leegte te zien als de plek die eerder het geloof heeft ingenomen. Het heeft ook te maken met hoe Gina zichzelf ziet: als iemand 'die het altijd weer verklootte'. Het geloof speelt een belangrijke rol in het boek, maar misschien is het belangrijker dat Gina uiteindelijk de onechtheid aflegt en nog meer zichzelf durft te zijn, zowel haar afkomst, haar achtergrond, omarmend, als wat ze nu is en wil.

Misschien geldt uiteindelijk voor haar wel, wat ze zegt over de schrijfster die ze interviewt: dat die een houding heeft die op een verontrustende manier omarmend is. Je kunt je afvragen of die schrijfster niet ook stiekem iets van Franca Treur wegheeft. De schrijfster legt overigens  verband tussen schrijven en religie:
Als je fictie schrijft, ben je bezig je een andere wereld voor te stellen, zei de schrijfster. Dat is het begin van religie. En de lezer is bezig betekenissen toe te kennen aan een verhaal. Ook dat vond ze een religieuze activiteit.
Dat klopt met hoe Gina de literatuur ervaart:
Literatuur lokte met de belofte haar iets terug te kunnen geven dat ze zelf was kwijtgeraakt.
Misschien is dat wel iets wat steeds terugkomt: Gina moet zich een nieuw leven verwerven na haar opvoeding, waarin ze alleen zicht heeft gehad op een klein wereldje. Ze wint nieuwe werelden, nieuwe inzichten, maar moet daardoor ook een wereld achter zich laten. Ze houdt de werelden gescheiden. Pas aan het eind van het boek lijkt die scheiding opgeheven te worden. Wat overigens niet wil zeggen dat alles nu gemakkelijk zal zijn. Het lukt haar in de slotzin al niet om naar het gezicht van tante Ma te kijken. Er is nog veel waarmee Gina aan de slag moet.

Hoor nu mijn stem is een interessante roman, die bovendien beter geschreven is dan Dorsvloer vol confetti. In de korte stukjes uit X en Y (zie de link onderaan) moest Treur to the point zijn. Dat heeft haar stijl vaart gegeven, waarbij ze vaak personages kernachtig weet te typeren:
Ze (...) had een gezicht dat je moeilijk kon onthouden. Maar je onthield haar motoriek, ze leek een beetje te zweven.

Tale Kanaäns

De constructie is ook hechter en dat is aangenaam. Verder vond ik het heerlijk hoe Franca Treur de reformatorische wereld weet op te roepen. Dat gebeurt in sterke mate door de taal die verwijst naar de tale Kanaäns, een taal doorspekt met bijbelteksten en vaste uitdrukkingen die voor buitenstaanders een soort geheimtaal vormen, maar het volk dat het geklank kent, weet meteen wat er bedoeld wordt.

Als Gina gaat studeren, bijvoorbeeld:
Ik hoor hier niet, dacht ik toen ik de collegezaal binnenliep, met mijn gedoopte voorhoofd. 
In gedachten hoor ik  nog de dominees die zeiden dat het verschrikkelijk is om met een gedoopt voorhoofd verloren te gaan.

En ook dit citaat riep meteen van alles wakker:
Zo hadden de tantes altijd geleefd, gegeten, gebreid, gebeden, in een tempo dat Gina nu heel onwaarschijnlijk voorkwam. Buiten dat leven was geen leven, maar een eeuwig zielsverderf, bestaande uit computers en amusement.
 Meteen was de passage terug uit het gedicht dat de dominees graag citeerden:
Geef mij Jezus, of ik sterf.
Buiten Jezus is geen leven,
maar een eeuwig zielsverderf.
Nog een voorbeeld: Opa ligt op sterven en Ina zit bij hem.
Aan mijn pols tikte mijn horloge zijn genadetijd voorbij.
De genadetijd, ook wel 'het heden der genade' genoemd, is de tijd dat we leven. Dan is er nog gelegenheid om tot bekering te komen, wat overigens geen verdienste is, maar genade. Tijdens het leven kunnen we die genade nog deelachtig worden. Daarna is het voor eeuwig te laat.

Dat soort subtiele verwijzingen naar de tale Kanaäns heeft Franca Treur voortdurend. Om de kritiek uit de hoek van reformatorische christenen maar voor te zijn: daarin zit geen spot, maar iemand die in orthodox-christelijke kring is opgegroeid, heeft zich die taal zo eigen gemaakt, dat het onnatuurlijk zou zijn om andere woorden te kiezen.

Met Hoor nu mijn stem heeft Franca Treur een mooi boek aan haar oeuvre toegevoegd. Doordat ik er veel uit herken, kan ik er misschien nog minder objectief over oordelen dan gewoonlijk het geval is. Dat is dan maar zo. Het is altijd goed om zelf het boek (te kopen en) te lezen, om te zien of je in het oordeel van een recensent mee kunt gaan. Naar de boekhandel dus!


Eerder schreef ik over X en Y en De woongroep, beide ook van Franca Treur.

zaterdag 21 oktober 2017

Het smelt (Lize Spit)


Soms komt het er toch nog van: een boek lezen dat je al een tijdje hebt laten liggen. Dat overkwam me met Het smelt van Lize Spit. Ik had het gezien  in de boekhandel, Spit en spade op de de voorkant. Ik kon het niet nalaten om die flauwiteit te denken. Het boek kocht ik niet;  je kunt niet alles kopen.

Maar anderhalf jaar later blijk ik het toch ineens mee te nemen gelezen en te lezen. Op de achterkant staat dat de hoofdpersoon, Eva,  wraak neemt op een heel dorp. Ik wil toch wel weten hoe dat gebeurt.

Het heden in de roman is de dag waarop Eva's oud-klasgenoot Pim de 'bijna volledig geautomatiseerde melkerij' op zijn boerderij opent. Voor deze gebeurtenis nodigt hij mensen uit, onder wie Eva. In de uitnodiging noemt hij ook zijn broer Jan, die niet meer leeft en die in december dertig jaar oud geworden zou zijn. Eva is al jaren weg uit het dorp. Ze besluit naar het feest te gaan, met een blok ijs in de achterbak. We volgen haar die dag van uur tot uur.

Er worden nog twee lijnen getrokken. De ene is de geschiedenis van 'de drie musketiers', de enige drie kinderen die in 1988 in het Vlaamse dorp geboren werden en die op die manier wel samen op moeten trekken: ze vormen een bijzetklasje, dat dus bij een andere klas gezet wordt. Het klasje bestaat uit Eva, de boerenzoon Pim en de slagerszoon Laurens.

De derde lijn is die van de zomer van 2002, waarin de samenwerking van de drie musketiers uit de hand loopt en dramatisch eindigt. De drie lijnen wisselen elkaar met keurige regelmaat af.

Het verhaal blijft gaande door enkele vragen die de lezer al in het begin van het boek heeft: wat gaat Eva op het feest doen met het blok ijs. En ook: hoe is Jan om het leven gekomen? Honderd bladzijden voor het einde krijg je op de tweede vraag wel antwoord, maar dat antwoord blijkt verderop onvolledig te zijn. 

Er hangt vanaf het begin iets broeierigs in Het smelt. Sommige zaken worden aanvankelijk niet benoemd, maar je hebt al het gevoel dat er wat scheef zit. Eva komt bijvoorbeeld niet uit een prettig gezin, waarin moeder alcoholist is en vader ook wel een pintje lust. Eva's zusje Tesje ontwikkelt dwanghandelingen. Hoe erg het bij Eva thuis is, wordt pas in de loop van de roman duidelijk.

Spit heeft Het smelt keurig volgens de theorie opgebouwd. Als iemand voor de grap(?) zijn hoofd in een strop steekt, kun je verwachten dat er verderop nog ergens een strop opduikt. Zo zijn er (veel) meer vooruitwijzingen. Je kunt dat schematisch noemen, maar mij heeft het niet zo gestoord. Ik vind het wel prettig als een roman stevig geconstrueerd is.

Meer moeite had ik met het effectbejag. Sommige scènes worden wel erg vet aangezet. Na een dramatische verkrachting komt het slachtoffer aan in de slagerij, waar ze in elkaar zakt. Ze moet overgeven. Er staat een emmertje met smerig poetswater, waarin ook stukjes gehakt te zien zijn. De slagersvrouw dept het voorhoofd van het slachtoffer met de doek uit het emmertje. Ja, ja, we weten wel dat het erg is. Zoiets is me te grotesk. Er zijn meer van dergelijke passages aan te wijzen.

In de verhaallijn van de zomer van 2002 draait het om een raadsel, waarnaar ook de titel verwijst en het ijsblok dat Eva meeneemt naar het feest: een man wordt dood gevonden. In de ruimte is alleen een plas water te zien. Wat is er gebeurd? Het is (in Nederland in ieder geval) een bekend raadsel, te vergelijken met de dode visser in de telefooncel en het volk dat de 'r' niet blijkt te kunnen zeggen. Het is daarom opmerkelijk dat zo weinig meisjes in het dorp van het raadsel gehoord hebben. Er wordt ook gesuggereerd dat Eva het raadsel bedacht heeft, terwijl ze het waarschijnlijk ergens gelezen heeft. Dat bekende raadsel maakt ook dat het slot niet als een verrassing komt.

Nu Het smelt al meer dan anderhalf jaar uit is, mag ik waarschijnlijk wel wat van de plot verklappen. Als dat niet mag, moet je de volgende alinea's overslaan.

Dat Eva wraak wil nemen op een heel dorp is opmerkelijk. Heeft de dorpsgemeenschap schuld? Er zijn zeker schuldigen aan te wijzen en wellicht kun je de gemeenschap schuldig achten doordat er zaken toegelaten zijn. Daarover kun je van mening verschillen.

Maar Eva pleegt ook zelfmoord en die twee dingen kan ik niet met elkaar verenigen. Als wraak belangrijk voor je is, is dorpsgemeenschap blijkbaar belangrijk voor je. Pleegt iemand zelfmoord voor wie er nog belangrijke dingen in het leven zijn? Dat lijkt me niet zo logisch.

En was de zelfmoord nodig voor de wraak? Ik denk het niet, al komt het voor de compositie van het boek wel goed uit.

Toch heb ik Het smelt geboeid gelezen. Misschien wel doordat Eva veel van wat er om haar heen gebeurt zo lang accepteert. De werkelijkheid waarin je leeft mag absurd zijn, maar je hebt geen andere, dus je kunt moeilijk anders dan erin meegaan. Dat laat Spit wel goed zien.

Het smelt toont ook het tweesnijdende van een kleine gemeenschap. Er kan veel goeds gebeuren in een besloten gemeenschap, maar ook veel kwaads. Er kan veel over elkaar verteld worden, maar ook verzwegen.

De opzet, terugkeren naar het dorp van je jeugd, is bekend. Titels als De helaasheid der dingen en Terug naar Oegstgeest liggen ter vergelijking voor de hand. Mij lijkt dat geen bezwaar.

Het smelt is geen vlekkeloze roman, maar het is interessant genoeg en voor een debuut is het krachtig. Nu is het afwachten of er nog meer in de pen van Lize Spit zit.

vrijdag 13 oktober 2017

De buurjongen (Jan Siebelink)


Niet alles van Jan Siebelink is even goed, maar toch lees ik zijn boeken meestal wel met plezier. Om ook voor mij duistere redenen heb ik in de loop van de jaren verschillende van zijn boeken overgeslagen. Wel las ik Een lust voor het oog, maar niet En joeg de vossen door het staande koren, wel Verdwaald gezin, niet Vera, wel Oscar, niet Margje, al ben ik vast van plan dat laatste boek alsnog te gaan lezen.

Nu De buurjongen dus. Die buurjongen is Henk Wielheesen, die naast het gezin Sievez woont, dat we kennen uit Knielen op een bed violen. Je zou ook de oudste zoon Ruben Sievez de buurjongen kunnen noemen, omdat hij dat immers is van de hoofdpersoon Henk Wielheesen.

Het is hoe dan ook een wat vreemde titel. Als de titel verwijst naar Henk, haakt Siebelink wel erg duidelijk aan bij het succes van het violenboek: de buurjongen van het gezin dat we zo goed kennen van de succesroman en de film. Als met de buurjongen Ruben wordt bedoeld, is de titel ook opmerkelijk. Ruben en Henk gaan vooral als broers met elkaar om, niet als buurjongens.

Henk is een aparte jongen, die niet naar de gewone school kan. Hij gaat naar het speciaal onderwijs, schrijft Siebelink, maar dat bestaat pas vanaf 1985. Tot die tijd heette het buitengewoon lager onderwijs. In mijn jeugd spraken we over kinderen die naar de B.L.O.-school gingen. Wielheesen heeft wat aparte trekjes. Op sommige momenten heeft hij last van dwanghandelingen; hij moet dan iets aanraken.

In De buurjongen gaat Siebelink met grote stappen door het gehele leven van Henk Wielheesen, vanaf zijn jeugd (met daarin de dramatische dood van zijn moeder en zijn stiefmoeder) tot aan zijn sterfbed. Meestal zijn de scènes boeiend om te lezen, maar het doortrekken van lijnen gaat Siebelink minder goed af.

Ineens lezen we bijvoorbeeld dat Wielheesen wel eens een jurk aantrekt. Dat is nog te begrijpen, omdat hij op die manier dichter bij zijn moeder is. Later koopt hij ook jurken. Dan ligt die verhaallijn weer een hele tijd stil, zodat je je gaat afvragen of de drang tot verkleden nog wel speelt bij Wielheesen. En daarna volgt er een dramatische passage waarin Wielheesen met jurk en al door het plafond van de kamer van zijn dochter komt zetten. Verhaallijn afgelopen.

Zo gaat het eigenlijk ook met de moeilijke relatie die dochter Guusje heeft met haar ouders Henk en Anna. Soms komt die uitgebreid aan de orde, later ligt die weer een tijdje stil. Siebelink moet het hebben van de afzonderlijke passages, niet van het geheel.

Dialogen zijn nooit het sterkste punt van Siebelink geweest. Ook in De buurjongen komen heel wat onnatuurlijk klinkende gesprekken voor. Bij Henk en Anna in de straat woont Joop Ruysch, voor wie Anna lijstjes 'tikt'. Ze moet duizenden schilderijlijstjes in elkaar zetten. Ik snap niet waarom dat allemaal handwerk moet zijn als de handel zo goed loopt, noch waarom Ruysch al dat werk alleen door Anna laat doen.

Deze Ruysch heeft Ruben ontmoet op een verdachte boerderij net over de grens en vertelt daarover aan Anna:
Het was een mooie avond. We hebben nog op het terras gezeten, keken uit over het kalkrijke parklandschap, waar ooit de zee was. Er worden veel oude fossielen van reuzenvissen gevonden. Ruben zei dat hij van deze vage, onbepaalde grensstreek hield.
Dat de middenstander Ruysch op deze manier vertelt, is volstrekt ongeloofwaardig. Hier is duidelijk de schrijver Siebelink aan het woord, die even tussen de lezer en Ruysch in gaat staan. Dat gebeurt vaker. Het grootste deel van het boek is geschreven vanuit Henk Wielheesen, maar als het de schrijver uitkomt, kiest hij eventjes een ander perspectief om dingen wat nader uit te leggen.

Ruben, die in Knielen op een bed violen veel weg had van de schrijver Siebelink, speelt een belangrijke rol in De buurjongen. Hij gaat met Henk Wielheesen om als een broer, noemt hem broertje, zoent hem en bijt hem zelfs in een schouder. In een passage heeft hij een smetteloos wit pak aan.

In de loop van het boek begon het me te irriteren dat Ruben steeds de reddende engel is. Hij wordt opgehemeld tot het ongeloofwaardige. Tegen het slot worden er wat verdachtmakingen tegen hem uitgebracht door de zeer negatief getekende Joop Ruysch, maar dat kan het totale beeld niet meer veranderen. Te goed, te zoet.

Siebelink houdt van heftige gebeurtenissen. Ik noemde al het door het plafond zakken van Henk, maar er is meer: een beschuldiging van incest en een storm bijvoorbeeld. Ook daarbij is de ontwikkeling van de gebeurtenissen niet altijd logisch en daardoor raakte de schrijver mij wel eens kwijt bij zo'n passage.

Als tekening van een persoon, Henk Wielheesen, vind ik De buurjongen nog wel geslaagd en ik heb ook met plezier de verschillende passages gelezen. Als roman, die ook een geheel zou moeten zijn, lijkt me De buurjongen niet geslaagd. Daar komt nog eens hier en daar het gebrek aan realisme bij, de houterige dialogen en het karikaturaal heilige karakter van Ruben. De buurjongen is bepaald niet Siebelinks beste boek. 

Dat Siebelink het desondanks voor elkaar gekregen heeft om het boek goed leesbaar te houden, is een geluk bij een ongeluk.

Eerder besteedde ik aandacht aan Siebelink:
Jan Siebelink en de werkelijkheid
Oscar

woensdag 4 oktober 2017

La Casa (Paco Roca)


Er is een vader gestorven. Zijn huis staat al een jaar leeg en de kinderen gaan het op orde brengen en opknappen, zodat het misschien verkocht kan worden.

Het gegeven van La Casa van Paco Roca is niet eens zo sensationeel, maar we weten uit de literatuur hoe heftig zoiets kan zijn. We lazen immers bijvoorbeeld Gesloten huis van Nicolaas Matsier. Elk voorwerp kan de aanleiding zijn voor een herinnering.

Antonio, de vader van de drie kinderen in La Casa is al een jaar niet meer in leven, maar hij is nog steeds verbonden met het huis. Vicente, José en Carla komen bij elkaar op de plek waar zoveel van hun verleden te vinden is. Ze worden geconfronteerd met hun herinneringen en zien zich gedwongen om zichzelf af te vragen hoe goed ze hun vader eigenlijk gekend hebben.

En hoe zit het met hun onderlinge verhouding? Ziet Vicente de andere twee nog steeds als de kleine kinderen?

Daartussendoor scharrelt de oude buurman Manolo, die een vriend van Antonio was en hem heeft meegemaakt op de momenten dat de kinderen er niet waren. Hij weet ook herinneringen van Antonio de anderen niet weten. Hoe vader als kind in een vijgenboom klom en daar een geluksmoment beleefde en hoe hij daarom later moeite deed om zelf een vijgenboom op te kweken.

La Casa is een aangrijpend boek, al heb ik voor mezelf nog niet helemaal helder waar dat in zit. Misschien zijn het de omtrekkende bewegingen waarin we Antonio leren kennen. Of de tekening van het niet spectaculaire leven dat hij geleefd heeft. Zoals Carmiggelt schreef over Juffrouw Nifterink: 'U zong uw liedje zacht, maar het klonk welluidend'.

Misschien is het omdat je als lezer aan het denken gezet wordt over je eigen zoonschap en vaderschap, over het verglijden van de tijd en hoe die alles aantast en over wat er uiteindelijk overblijft.

Ik denk dat ik ook gegrepen werd door de intimiteit die soms in ogenschijnlijk onbetekenende gebeurtenissen schuilt. De dochter bijvoorbeeld die met vader in de wachtkamer zit voor de maandelijkse controle. De ene keer lijkt Antonio energiek en zegt hij dat hij de aardappels wil poten en de augurken wil zaaien. De andere keer lijkt hij uitgeblust.

Je ziet twee mensen naast elkaar zitten en de lege kuipstoeltjes ernaast. Ze hoeven niets te zeggen. Ze zijn er, dat is genoeg. De nabijheid, de zorgzaamheid, de vanzelfsprekendheid - en de tederheid waarmee die opgeroepen worden.

Als een tekenaar zo dicht bij basale emoties kan komen, moet hij diep in zichzelf gegraven hebben. Je merkt aan alles dat La Casa een persoonlijk boek is en als je aan het eind van het boek een foto tegenkomt van de auteur met zijn vader, word je in dat idee alleen maar bevestigd.

En dan heb ik het nog helemaal niet gehad over de tekeningen. Dat ze sfeervol zijn. En treffend. En fraai ingekleurd. Hoe er mooie series van plaatjes zijn, waarin maar weinig verandert en toch veel gebeurt. Hoe Paco Roca de stilte en de bewegingloosheid tekent. Ja, daar kan ik het over hebben. Maar dat stelt alleen maar het lezen uit.

Hup! Naar de winkel! Kopen! Lezen! Herlezen!

La Casa is uitgegeven door Soul Food Comics

dinsdag 3 oktober 2017

Appels van ooit

yellows

Het huis waar ik geboren werd en waar ik de eerste tien jaren van mijn leven doorbracht, is al jaren geleden gesloopt en over de plaats waar het stond loopt nu de A50. Achter het huis lag een boomgaard. Een deel van dat perceel ligt er nog, maar het is geen boomgaard meer en er leven steeds minder mensen die weten dat er ooit een boomgaard was.

Ik hoef mijn ogen niet eens dicht te doen om weer te lopen op het niet helemaal rechte pad de boomgaard in, naar de brug naar de achterste bongerd. Een brug die mijn vader zelf vlak na aankoop van huis en boomgaard gebouwd heeft.

Links van het pad, naast de sloot, staat een rij jonathans. Sinds de Jonathan en de Golden Delicious (wij zeiden: ‘Golden Liesjes’) gekruist zijn tot Jonagold, bestaan er geen jonathans meer, behalve in boomgaarden waar oude rassen geconserveerd worden.

Onder die bomen moet ik als uk in een veilingkist gestaan hebben terwijl mijn moeder de rode appels plukte van de ‘laagstammen’. ‘Struiken’ werden ze ook wel genoemd. Als box was een kist misschien een beetje klein, maar moeder kon zo wel toezicht op mij houden en ze zal ook wel voor mij gezongen hebben, zoals ze vaak deed.

Verderop gaat het pad onder yellows door. Yellow Transparante heette het ras; wij noemden de appels kortweg yellows. Het waren de vroegste appels, die we vooral in de appelmoes gebruikt zullen hebben. Als ze goed rijp waren, smaakten ze wel aardig. Maar als de groene appels geel werden, kon je ze (als ik het mij tenminste goed herinner) niet zo heel erg lang meer bewaren.

Rechts van het pad was het veldje bramen, frambozen en bessen en daar weer achter, aan de straatkant stonden drie hoogstambomen. Twee transparanten en een notarisappel, meen ik mij te herinneren. Ook dat waren groen/gele appels. Ik heb gegoogled om erachter te komen wat voor transparanten dit dan waren. Het zal het ras Transparante de Croncels geweest zijn, vermoed ik. Mijn vader zal in grote letters alleen maar ‘Transparant’ op de veilingbrief geschreven hebben.

Sterappels
Wij hadden nog een boomgaard, een kilometer of drie verderop, die van mijn opa geweest was. Daarin stonden goudreinetten (Schone van Boskoop) en nog vroeger stond er een rijtje sterappels langs de weg. Die heb ik als klein jongetje samen met mijn opa opgeraapt. De appels werden uitgespreid op een bedje van stro en regelmatig moesten ze gekeerd worden, totdat ze aan alle kanten donkerrood waren. Zelfs het vruchtvlees had dan een rode vleug.

In de boomgaard stonden ook een paar bomen met vroege appels, wij noemden ze ‘Stark Allies’. Pas later realiseerde ik me dat dat het ras ‘Stark Earliest’ geweest moet zijn.

Golden Liesjes hadden we niet, maar die konden we in de aangrenzende boomgaard van mijn oom plukken. Wel hadden we de rassen James Grieve en Lombarts Calville. Groene appels, die hoogstens een beetje geel werden. Soms was er een lichte rode blos.

Achter in de boomgaard stond een enkele hoogstam met zoete appels: de bloemee. De spreeuwen waren er dol op en ik heb nog wel eens op een zondagmiddag, na kerktijd de wacht moeten houden onder de boom en de spreeuwen al ratelend en roepend weg moeten houden.

Appelschilmachine
Werken op zondag, dat was toch een beetje een raar idee. Maar als de vogels zich rustig hielden, kon je, liggend in het gras onder de boom lekker je jongensboek lezen.

De zoete appeltjes werden door mijn moeder, soms geassisteerd door een paar tantes, geschild. Ze gebruikten zelfs een schilmachientje. Je prikte de appel eraan en draaide dan snel de zwegel rond. Als de appel klaar was, werd hij door het apparaat zelf van de vork geworpen. Wel moest er altijd nageschild worden.

De appels werden in partjes gesneden en gedroogd. Dat kon bij de kachel, maar het snelst ging het als mijn oom ze in een katoenen zak meenam naar de steenoven.


Blik waarin de zoete appeltjes bewaard werden
Gedroogde appels werden bewaard in een biscuitblik op de achterzolder. Vanzelfsprekend snoepten wij daar wel eens uit.

De lekkerste appel vond ik indertijd de Mantet. Dat was eind jaren zeventig (schat ik) een vrij nieuw ras en mijn vader had er ook een paar rijtjes van aangepoot, zo’n beetje om en om met de James Grieve.

Dat de Mantet het niet gered heeft, snap ik wel. Het was een heerlijke appel, maar je moest hem eigenlijk met handschoentjes aan plukken, anders kneusde je hem al. En de bomen zelf waren ook niet sterk. Mijn vader heeft heel wat kankerplekken uit de takken moeten wegsnijden.

Rassen komen, rassen gaan. De Elstar en de Jonagold bleken blijvertjes. Nadat mijn broer het bedrijf had overgenomen, hoorde ik namen als Elan, Benoni, Alkmene, Gloster, Karmijn, Odin, Summerred, Delcorf. Geen idee of die het uiteindelijk gehaald hebben. Aan de glosters meen ik nog wel herinneringen te hebben. Lekkere appels, met een net iets te dikke schil.

De goudreinetten uit mijn jeugd en de coxen zijn er nog steeds. Verder liggen er in de winkels, naast de al genoemde jonagolds en elstars de rassen Fuji, Gala, Kanzi, Junami, Pink Lady, Braeburn en natuurlijk de lelijke Granny Smith.

En over veertig jaar zullen er mensen zijn die daar dan weer met weemoed aan terugdenken.
Mantet. Plaatje gepikt van de genoemde site.

zondag 1 oktober 2017

Remington (Bert Natter)


Volgens de titelpagina verscheen Remington van Bert Natter in 2015, maar ik kocht in een boekhandel, afgeprijsd, een gesigneerd exemplaar waarin de auteur 'Ede, 2014' had geschreven. Vanwege de lage prijs nam ik het boek mee, wetend dat ik het zou gaan lezen. Vaag meende ik mij te herinneren dat ik dat al ooit van plan was.

Terugkijkend in mijn lijstjes met niet gelezen boeken kwam ik wel een Natter tegen in De beste romans van 2015 (die ik niet gelezen heb): Goldberg. Het moet ongeveer tegelijkertijd uitgekomen zijn met Remington. Ik meen in die tijd ook een interview met de auteur beluisterd te hebben, waardoor ik geïnteresseerd raakte. Erg helder staat het me allemaal niet meer bij.

Ooit las ik Natters roman Hoe staat het met de liefde? die goed leesbaar was, maar ik vond het niet zo'n goed boek. Waarschijnlijk heb ik daar indertijd wel over geschreven in het Nederlands Dagblad, maar ik moet tegenwoordig betalen om dat te kunnen nalezen. Beter vond ik Begeerte heeft ons aangeraakt.

En nu dus Remington, het beste wat ik ooit van Natter las. Een kunstenaar gaat naar Hamburg om zijn vader op te halen. Die heeft last van een tremor en durft het niet  aan om met zijn oude Mercedes naar huis te rijden. Vader is geboren in Hamburg; hij heeft de stad als kind verlaten, in de oorlog. Later realiseert de zoon zich:
Misschien had ik eerder door moeten hebben dat mijn vader al sinds hij me donderdag belde bezig was met afscheid nemen. In Hamburg ging hij op zoek naar zijn verleden, al beweerde hij van niet, hij wilde de sporen van zijn ouders vinden om zijn leven af te sluiten. Hij had gezocht, niets gevonden, en toe hij klaar was, vroeg hij mij om te komen, zodat hij werd ingesloten door wat was geweest en wat volgde. (...)[D]eze hele reis was één lang vaarwel.
Tot nu toe is er veel onuitgesproken gebleven tussen vader en zoon. Nu verkeren ze een tijdje in elkaars onmiddellijke nabijheid. Wegens autopech moeten ze zelfs een nacht doorbrengen in hetzelfde bed.

Al aan het begin van het boek lees je dat de reis dramatisch is afgelopen, maar niet wat er gebeurd is. Dat is het zetje dat je als lezer nodig hebt om aan de gang gehouden te worden en daarna het boek door te komen. Je wilt weten wat er heeft plaatsgevonden en daarom blijf je lezen.

Het zijn geen grote, spannende gebeurtenissen die je meeslepen. Er gebeurt wel wat (vader en zoon komen bijvoorbeeld op een vreemd feest terecht), maar het zijn meer de gesprekken en de herinneringen die je met plezier tot je neemt. Je komt ook nog te weten dat de zoon in het nabije verleden een heftige gebeurtenis heeft meegemaakt.

Het aantrekkelijke van Remington vind ik dat er een intimiteit opgeroepen wordt, waarin zowel vader als zoon zich enigszins onhandig voelen. Vader is dichter. Hij gebruikt de taal niet alleen om zich in uit te drukken, maar soms ook om de afstand te bewaren. De zoon ziet zijn vader in situaties waarin deze van zijn zoon afhankelijk is: zo moet vader door de zoon geschoren worden.

Tijdens de reis van Hamburg naar de Afsluitdijk leren we het leven van vader en zoon gaandeweg de roman kennen. Naarmate ze minder tijd over hebben samen, krijgen wij meer zicht op de weg die ze hebben afgelegd, niet alleen in de Mercedes, maar ook in de jaren ervoor. Alsof we mee mogen kijken in de achteruitkijkspiegel.

Remington is een sobere roman. Geen poespas, geen aanstellerij. Een degelijke roman die ook nog goed geslaagd is. Goed gedaan. Van het lezen van Goldberg zal het bij mij wel niet op korte termijn komen. Maar wie weet, kom ik ook dat boek nog eens afgeprijsd tegen. Als ik het koop, ga ik het ook lezen. Daar zal ik dan zeker over berichten.

zondag 24 september 2017

Fuzzie (Hanna Bervoets)



Mijn boekhandelaar had, alweer weken geleden, Fuzzie van Hanna Bervoets niet op voorraad. Was de verkoop zo snel gegaan? Vond hij dat hij het niet op voorraad hoefde te hebben? Hoe dan ook, hij bestelde het en in het weekend haalde ik het op.

Nog voor ik erin begon te lezen, was ik al teleurgesteld: voor op het boek stond een wel heel lelijke tekening van twee handen met daarin de titel in pluizige letters. De tekenares had het niet voor elkaar gekregen om de handen op echte handen te laten lijken. De handen leken niet van vlees maar van hout. Het zal wel een vriendinnendienst geweest zijn, waar de schrijfster niet meer onderuit kon, maar jammer is het wel.

Bervoets heeft wel wat krediet bij mij. Alles wat er was heb ik indertijd met plezier gelezen, al vond ik het boek net niet goed genoeg. Maar Ivanov vond ik overtuigend; ik plaatste het hoog in het lijstje met de beste boeken van 2016. Efter is mij door iemand geadviseerd. Ik heb het nog niet gelezen.

Over Fuzzie had ik al een paar recensies gelezen en ik had een interview met Bervoets beluisterd. Interessant gesprek. Ik wist dus wat iedereen al zo'n beetje weet als hij begint te lezen in Fuzzie: enkele personen krijgen een pluizig bolletje dat tegen hen praat. Hoe moeten we het noemen? Is het een robotje? Een speelgoedje met een computertje erin? Zoiets.

Het pluizige bolletje spreekt en dat ook nog in coherente zinnen. Wat het zegt is meestal niet bijzonder origineel. Het stelt vragen, waardoor degene die bevraagd wordt zich dicht benaderd voelt. Ook vertelt het het een en ander. Vier personages (Maisie, Florence, Diek en Stephan) hebben zo'n bolletje. Ze zijn alle vier op zoek naar liefde, zoals iedereen overal en altijd, en merken dat dat veel getob is.

Misschien is de vraag achter de roman of er intimiteit mogelijk is door slechts woorden. In dat geval zou je kunnen zeggen dat een schrijver ook bezig is intimiteit te creëren met de lezer. Bij het bolletje heb je de stem nog, die de schrijver alleen maar kan suggereren.

Het bolletje heeft wel invloed op de verschillende personen, al moeten ze op den duur verder zonder het bolletje. Maar op sommige momenten is er zeker een suggestie van nabijheid. Als Maisie haar bul uitgereikt krijgt, zit haar ex-geliefde Florence in de zaal en denkt:
Het bolletjes, alleen het bolletje en niemand anders raakt Maisie aan tijdens die belangrijke moment, deze rite de passage - was dat niet wat ze wilde?
De vraag is wie de 'ze' is in het zinnetje 'was dat niet wat ze wilde'? Maisie? Ik heb de neiging om 'Florence' te antwoorden. Florence spreekt Maisie niet aan, maar anders had ze willen zeggen: 'En o, dat bolletje dat je zo leuk vindt: dat ben ik, hoor.'

Wellicht zit Florence achter de bolletjeskwestie. Ze is per slot van rekening 'product designer' en als we haar voor het eerst tegenkomen in het boek veegt ze witte pluisjes van de tafel. Mogelijk is zij degene die het experiment opgezet heeft. Het zou  me niet verbazen. Al vraag ik me in dat geval wel af, waarom de andere bolletjes dan juist bij Diek en Stephan terechtgekomen zijn.

 Het idee achter Fuzzie spreekt me zeker aan. Je gaat vragen stellen als: is intimiteit te manipuleren? Ook vond ik het leuk hoe dezelfde tekst van het bolletje bij de verschillende personages terugkomt. Dat geeft leuke dwarsverbanden.

Maar bij de personages miste ik soms het verhaal, de ontwikkeling. Maisie en Florence komen nog het dichtst bij je. De andere personen blijven wat meer op afstand. Mij deden ze niet zoveel. Ik moest terugdenken aan roman dat in de verte met Fuzzie verwant is: De man achter het raam (1989) van Gerrit Krol. Daarin leven we mee met een computer die verliefd wordt. Krol deed rechtstreeks een appel op de lezer om mee te leven met een computer en dat was zonder meer geslaagd.

Uiteindelijk denk ik aan Fuzzie terug als een aardige roman en niet meer. Dat betekent dat het boek me, na Ivanov, tegengevallen is. Maar het idee achter de roman is boeiend en ik sluit niet uit dat ik een volgende keer toch weer met de nieuwe roman van Bervoets uit de boekhandel kom.

zondag 17 september 2017

Lezing Ben Manusama



‘Unfinished business’ noemde Ben Manusama de reeks schilderijen die hij onlangs geëxposeerd heeft in Den Haag. We zien personen die ten voeten uit geschilderd zijn. Ze verdragen vluchtige beschouwing, maar wie langer kijkt, ziet steeds meer de mensen die geportretteerd zijn. Op den duur komen we niet uit onder het appel dat er van hen uitgaat.

Op zondag 17 september kwam Manusama in de Vluchtheuvelkerk in Zetten vertellen over de bronnen van zijn werk. Ook liet hij muziek horen die verbonden is met de wortels van de Molukse gemeenschap.

Na de pauze was er een tweegesprek van Ben met Victor Laurentius, die ooit in Zetten woonde. Hij schreef, alweer jaren geleden, een boek over de Molukkers in de Betuwe. Op de tijdlijn die er getrokken werd, werden drie punten gezet: de dekolonisatie (met de zogeheten ‘politionele acties’), de treinkapingen in de jaren zeventig en het heden.

De treinkapingen zijn een uitvloeisel van de manier waarop de dekolonisatie verlopen is. Door sommigen zijn de kapingen wel de derde politionele actie genoemd. Het is een trauma geworden in onze nationale naoorlogse geschiedenis, waarover nog steeds niet alle feiten bekend zijn.

De feiten over de dekolonisatie en de kapingen moeten boven water komen en erkend worden, vertelde Manusama. Dan pas kunnen we verder. We zullen in het nu elkaars verhalen moeten horen en daar oor voor hebben. We moeten zien dat het niet een Molukse zaak, maar een Nederlandse zaak is, waarop ieder van ons vanuit zijn eigen achtergrond zal reageren. Pas als we daarvoor openstaan, kunnen we samen verder.

Het publiek was geboeid door Manusama’s verhaal en ook geschokt door wat hij vertelde over zijn eigen ervaringen. Hoe hij als jongere uit een bus geknuppeld werd. Een agent zei: ‘Loop maar weg, dan schiet ik je in je rug.’  Willekeurige Molukkers werden op een perron plat op de grond gelegd en onder schot gehouden. Het zijn feiten die het journaal nooit gehaald hebben.

Er zit nog veel woede en pijn in de nog vrij jonge geschiedenis. Daarmee moeten we aan het werk. Tot die tijd is het unfinished business.

(foto gebietst van de Facebookpagina van Ben)