maandag 10 juli 2017

Oki en Doki bij de negers (Zwart en wit 12)


Mijn oude moeder vertelde me een van haar herinneringen aan haar lagereschooltijd. Het zal vlak na de Tweede Wereldoorlog geweest zijn. Negen was ze, misschien tien. 'Op een dag kwam er een grote neger op school. Hij was pekzwart. Hij zette een emmer water op zijn hoofd en daarmee liep hij heel hard om de banken heen. Ik had nog nooit zoiets gezien. Het was de eerste keer dat ik een neger zag.' Ik vertel haar dat we het woord 'neger' niet meer gebruiken. 'Maar hij was toch een neger?' zegt ze.

Ik heb mijn moeder nog nooit betrapt op discriminatie op grond van etnische afkomst, ik heb haar nooit iets vervelends over andere bevolkingsgroepen horen zeggen. Maar het woord 'neger' gebruikt ze onbekommerd.

Er is een tijd geweest dat het heel gebruikelijk was 'neger' te gebruiken in een zin. Je kon het ook gebruiken in een titel van een kinderboek. Een neger in het dorp, bijvoorbeeld of Dagoe, de kleine bosneger, of De wonderlijke avonturen van Meelmuts en Roetkop. En onlangs stond ik in mijn hand met Oki en Doki bij de negers, zevenentwintigste druk, copyright 1979.

De titel was al een modernisering. Toen het boekje in 1957 op de markt kwam, heette het Oki en Doki bij de nikkers. Zie hier. Volgens het artikel op historiek.net werd 'begin jaren zeventig' in de titel het woord 'nikkers' vervangen door 'negers'. Dat zal in het boekje ook wel gebeurd zijn. Blijkbaar had in die tijd 'nikker' al een negatieve gevoelswaarde, 'neger' nog niet.

De redacteur die de veranderingen aanbracht, zag wel een zinnetje over het hoof. In de druk die ik heb, staat nog steeds 'De bootjes van de nikkers zijn terug naar het eiland.' Die is er blijkbaar doorheen geglipt.

Oki en Doki zijn (in dit deel tenminste) twee 'matroosjes'. Het schip waarop zij meevaren komt langs een 'negereiland'. De bewoners van het eiland verkopen dadels, kokosnoten en olienoten. 'En ook mooie mandjes en bakjes, die ze zelf van riet maken. Daar zitten lekkere vijgen in.'

De beide matroosjes zijn bang dat het schip de kleine bootjes van de handelaars omver zal varen. Ze tonen zich bezorgd, maar dat blijkt niet nodig: 'De negers lachen en ze laten hun witte tanden zien.'

De bemanning mag niet aan wal, want 'De negers zijn niet altijd aardig', vertelt de kapitein. Oki en Doki negeren het verbod en gaan 's nachts toch aan wal, om te jagen op leeuwen. Dat loopt slecht af. Ze worden gevangengenomen. Het opperhoofd heeft al een plannetje met hen: 'Aha, dat dikke kereltje zal fijn smaken, denkt hij.' Oki en Doki worden elk in een kookpot gestopt.
Er staan twee grote, sterke negers bij elke kookpot.
Die zorgen ervoor, dat Oki en Doki er niet uit kunnen.
De twee vriendjes hebben dat al een paar keer geprobeerd.
Maar telkens als ze eruit willen, kijken de grote negers heel boos.
"Help, help!" roepen ze angstig.
De negers dansen wild om hen heen.
Het opperhoofd kijkt lachend toe.
"Fijn, een paar witte mensen," zegt hij steeds. "Dat is lang geleden."
Uiteindelijk komt het allemaal goed: de hond Flap slaat alarm en kapitein Paf ontzet de matrozen. Aan het eind is iedereen vrolijk en opgelucht.

 De eilandbewoners worden op een stereotiepe manier beschreven. Als het gaat over hun handel, klinkt het allemaal redelijk neutraal. Maar later in het verhaal blijken het wilden te zijn, die het liefst witte mensen oppeuzelen. Ze lachen en dansen.

Blijkbaar werd het indertijd niet als aanstootgevend gezien. Nu wel, in brede lagen van de bevolking. Waarschijnlijk roept het boekje nu niet alleen weerstand op door de tekst, maar ook door de tekeningen van Carol Voges.

Onlangs was er reuring omtrent het album Mami Wata van Suske en Wiske, vooral omdat een van de zwarte personages werd afgebeeld met buitenproportineel grote lippen. Voges gaat nog weel verder: de lippen lopen bijna door tot de oren op sommige plaatjes.

Carol Voges kende ik als kind uit de Sjors, waarin ik graag de strip Dinkie las, die met Opa mooie avonturen beleefde. Een ander heeft wellicht meer herinneringen aan de avonturen van Pa Pinkelman, geschreven door Godfried Bomans, geïllustreerd door Voges.

De karikaturale tekeningen van Voges in Oki en Doki bij de negers stuiten ons nu tegen de borst. Indertijd zijn ze misschien alleen als grappig gezien. De meeste mensen in Nederland waren wit en men was gewend alles door de witte bril te zien. In die tijd was een gebrekkig pratende Sjimmie in de Sjors evenmin een probleem als menseneters in Oki en Doki.

In 1982 (ja, dan pas) was het woord 'neger' blijkbaar niet meer acceptabel voor op een kinderboek: de titel werd voor de tweede keer veranderd, nu in Oki en Doki op een eiland. Op de voorkant komen geen zwarte mensen en kookpotten meer voor. Of er verder iets aan de inhoud veranderd is, is mij niet bekend, noch of de tekeningen binnenin aangepast zijn.

Als kind heb ik Oki en Doki niet gelezen, voor zover ik mij herinner. Mogelijk bezat een neef de boekjes. Hij is vier jaar jonger dan ik en had indertijd ook deeltjes uit de series Pietje Puk en Bakkertje Deeg. Als ik de boekjes in de jaren zestig of zeventig wel gelezen had, had ik er waarschijnlijk geen kwaad in gezien. Ik las ook de boeken van Penning over de Boerenoorlog. Ik vermoed dat ik die niet meer kan herlezen zonder me ongemakkelijk te voelen.  Als ik er mijn moeder naar vraag, zal ze er ongetwijfeld vol weemoed en met genoegen over vertellen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten