vrijdag 19 januari 2018

Kinderen van het Ruige Land (Auke Hulst)


Er gaapt een kloof tussen het aantal boeken dat je wilt lezen en dat je kunt lezen. Er zijn auteurs van wie ik geen enkel boek gelezen heb, al interesseert hun oeuvre mij wel. Tot voor kort was Auke Hulst zo'n auteur. Zijn roman En ik herinner met Titus Broederland nam ik op in de lijst met beste boeken van 2016 die ik niet gelezen had. Maar ook in 2017 las ik het boek niet.

Intussen heb ik wel het boek gelezen dat waarschijnlijk zijn bekendste roman is: De kinderen van het ruige land, uit 2012. In 2016 verscheen de zestiende druk. Het boek is dus succesvol geweest en misschien is het dat nog wel. Het is, lees ik op de achterkant, 'een sterk autobiografische roman'. Wellicht is het zo'n verhaal dat verteld moest worden.

De kinderen van het ruige land is de geschiedenis van een moeder en haar vier kinderen. De zoon Kai is de verteller. Verder zijn er Kurt, Shirley Jane en Deedee. Het boek begint met een inleidend hoofdstuk waarin Kai 23 jaar oud is, beginnend journalist, en zijn moeder hem belt om geld. Het is duidelijk hoe de verhoudingen liggen.

Daarna gaan we terug naar het verleden: 1983. Dat zal het jaar zijn waarin dit deel begint. Binnen het deel verstrijkt de tijd. Het laatste deel speelt in 1998. Kai zoekt daarin zijn moeder op die in het buitenland verkeert, met een huurauto die ze al lang terug had moeten brengen en zonder geld.

We krijgen in de loop van het boek een beeld van het gezin: vader overleden en moeder kan of wil de verantwoordelijkheid voor het gezin niet aan. Het gezin heeft aardig wat ruimte en ruigte om het huis. Dat ruige land slaat ook wel op het ongeregeld leven dat de kinderen leiden. Ze moeten zich maar zo'n beetje zien te redden.

Voor Kai helpt het schrijven bij het zich staande houden. Hij is ook degene die het dichtst staat bij de schrijver, neem ik aan.
Schrijven was niet een bewust besluit. Hij was gewoon begonnen. Wanneer precies? Het was alsof het altijd zo was geweest.
Schrijven is een manier om te ontsnappen aan de werkelijkheid. Door te schrijven kan Kai nieuwe werkelijkheden scheppen, die hij naar zijn hand kan zetten.

Het gehucht waarin de kinderen opgroeien heet het Ruige Land. De boeren om hen heen zijn gelovig:
Op het Ruige Land was God er altijd. Je moest voortdurend strijd tegen hem voeren, of hij nu bestond of niet. Hij bestond in het hoofd van de boeren. 
Het gezin valt buiten de orde waarin de boeren geloven. Toch vreest Kai soms dat er zoiets bestaat als voorbestemd zijn. Hij leeft in het Ruige Land, maar weet dat hij ooit daaraan zal moeten ontkomen. De vraag is of dat zal lukken. De pony Hinnik is een voorbeeld van hoe het in het slechtste geval kan gaan. Het beest hangt zich op aan zijn eigen touw.
Kai legde een hand op Hinniks gespannen buik. Dus zo zal het zijn: je laat je vastzetten aan het touw waarmee je jezelf uiteindelijk verhangen zal. 
De dood is toch al een thema voor Kai. Het gezin is aangeraakt door de dood toen vader stierf, maar als Kai met zijn moeder een partijtje schaak speelt, is de dood er ook.
'Wat gebeurt er als jij doodgaat?'
'Ik ga niet dood.'
'Ooit wel.'
Ze snoof: 'Ik word minstens honderd.'
Kai mompelde: 'Ik ga vast eerder dood dan jij.'
Moeder keek hem strak aan. 'Als je het maar laat!'
Maar de dood zwom al in zijn aderen. Zo voelde het tenminste.
Het lukt Kai om een richting te kiezen, iets te ondernemen, een eigen leven te leiden. Dat valt niet mee als je zo weinig hebt meegekregen.
Het enige wat vastlag, was het verleden, met tentakels die zich onherroepelijk uitstrekten in het heden. Je moest je ervan losrukken. Deed je dat niet, dan liet je je, zoals Kurt, gedwee wurgen, overtuigd van de zinloosheid van verzet.
Moeder probeert zich los te maken van de kinderen. Als niemand haar meer nodig heeft, kan ze verdwijnen. Maar het is de vraag of ouders en kinderen ooit los van elkaar raken. Mooi is de slotregel van de roman:
In haar blik lag de uitdrukking van een bajesklant die, na een mislukte poging, alweer nadacht over een volgende uitbraak. 
Het is lastig om een oordeel te geven over Kinderen van het ruige land. Na het lezen heb ik het boek enige tijd laten liggen, in de hoop dat me vanzelf wel duidelijk zou worden wat ik ervan vind. Ik heb het in ieder geval geboeid gelezen, wat natuurlijk al heel wat is. Het is vooral het onderwerp, vermoed ik, dat me geboeid heeft, de biotoop die geschetst wordt, waarin een gezin leeft in omstandigheden waar je anders geen zicht op hebt.  Dat geldt waarschijnlijk ook wel voor de boeken van Jelmer Jepsen en Lize Spit waarover ik vorig jaar schreef.

Als ik me veiligjes vlak uitdruk door te zeggen dat ik het boek van Hulst 'aardig' vond, zeg ik eigenlijk niks. De vraag is ook of je zo'n, toch vrij heftig, boek 'aardig' kunt vinden.  Toch merk ik dat ik niet voluit enthousiast ben. Komt dat doordat de tijd maar doorglijdt, zonder dat duidelijk is waarom het ene moment wel beschreven is en het andere weggelaten? Dat heeft bij sommige passages iets van 'grote stappen, snel thuis'. Soms trok ik mijn wenkbrauwen op als 'ineens' bleek dat we weer een tijd later leefden. Maar ik zie ook niet meteen hoe je dat als schrijver zou kunnen vermijden.

In ieder geval heb ik na het lezen van Kinderen van het ruige land het boek niet meteen uit mijn hoofd gezet. Als een boek zich ook na lezing bij tijd en wijle aan je op blijft dringen, moet een schrijver echt dingen goed gedaan hebben.

dinsdag 9 januari 2018

'Minnekoozerij of vriendschap?' Een affaire


Op zoek naar informatie over het lager onderwijs in Herveld (zie vorige bijdrage) stuitte ik op een bericht in de Arnhemsche Courant van 26 maart 1924. Onder het kopje 'Raad van State' wordt een aantal koninklijke besluiten genoemd waarvan voorlezing gedaan is in 'de Dinsdag gehouden vergadering van de Raad van State, afdeeling voor de Geschillen van bestuur.'

Een van de besluiten gaat over een beroep van de heer G.J.A.B. te Andelst, voormalig hoofd van openbare school Veldzicht in Herveld. Hij is, bijna een jaar eerder, door de raad van de gemeente Valburg ontslagen en is daartegen in beroep gegaan bij Gedeputeerde Staten. Toen die zijn beroep ongegrond verklaarden, zocht hij het hogerop. Maar ook bij de Raad van State kreeg hij nul op het rekest.

Wat was er voorgevallen? De Arnhemsche Courant meldt het als volgt:


Hetzelfde bericht staat die dag ook in de Provinciale Geldersche Courant en een dag later in Het Vaderland, De Maasbode en de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Het hoofd van de openbare school heeft dus de onderwijzeres meermalen omhelsd en op de schoot genomen. Dat is blijkbaar een 'ongeoorloofde relatie'. Het hoofd was namelijk getrouwd.

Per 1 april 1923 heeft het hoofd ontslag gekregen, weliswaar eervol, maar hij pikt niet. In oktober van dat jaar zal de affaire uitgebreid in de kranten terugkomen onder titels als 'Een onderwijzeres omhelsd. Met ontslag bestraft', 'Wat het hoofd en de onderwijzeres niet mochten doen' en 'Minnekoozerij of Vriendschap?'

De 'ongeoorloofde relatie' dateert van het voorjaar 1922, het ontslag gaat in per 1 april 1923, maar dat besluit wordt pas door de gemeenteraad genomen op 26 juni 1923. De zaak komt in het nieuws als Gedeputeerde Staten het beroep van de hoofdonderwijzer ongegrond verklaren en hij besluit in beroep te gaan bij de Raad van State. Dan wordt alles uitgebreid uit de doeken gedaan in verschillende kranten in het koninkrijk, niet alleen in het Nieuwsblad van Friesland, Het Vaderland, Twentsche Courant Tubantia en Enschedesche Courant, het Algemeen Handelsblad en De Maasbode, maar ook in de Sumatra Post en de Indische Courant.

Gedeputeerde Staten vinden dat er al genoeg consideratie met het hoofd is geweest: 'met het oog op zijn gezin is het ontslag eerst eenige maanden later en toen op een termijn van 7 weken gegeven.'

Het schoolhoofd gaf overigens een heel andere lezing van de veronderstelde relatie.
Hij wees erop, dat deze niet mag worden opgevat in den zin, die men gewoonlijk daaraan hecht en dus geen gevolgen heeft gehad en dat deze verhouding is ontstaan, doordat hij aan de onderwijzeres een in haar oog grooten dienst bewees, ten gevolge waarvan zij hem spontaan om den hals vloog. Dit geschiedde echter niet in het bijzijn der kinderen, doch toen de kinderen gingen spelen. Eén der leerlingen kwam terug en zag wat geschiedde. De hoofdonderwijzer ontkent ten stelligste, dat hij in de klas in het bijzijn der kinderen de onderwijzeres meermalen heeft omhelsd en op den schoot genomen.
Dat lezen we in verschillende kranten, bijvoorbeeld in het Nieuwsblad van Friesland: Hepkema's Courant van 26 oktober 1923.

Het hoofd wijst erop dat zijn school bovendien op dat moment een eenmansschool is, 'zoodat hij geen onderwijzeres meer kan omhelzen.'

Namens het hoofd spreekt de rechtskundige raadsman mr. M. Oppenheimer uit Den Haag, die opmerkt dat niet alleen het hoofd, maar ook de onderwijzeres ontkent.

Tusschen appellant en de onderwijzeres bestond een vriendschap, die niet erg gewenscht is, vooral niet in een kleine plaats, der erkent pleiter gaarne. Toen de school leeg was, hebben zij elkaar een bewijs van sympathie gegeven. Dit is gezien en overgebracht aan den burgemeester. Toen had er een behoorlijk onderzoek moeten worden ingesteld. Gedep. Staten hebben het verzuim, om ook de ouders en de kinderen over de klachten te hooren, niet goedgemaakt. Zij hebben de zaak nog erger gemaakt en gezegd dat hij haar “meermalen voor de klas omhelsd en op den schoot heeft genomen”. Hoe komen Ged. Staten aan dit materiaal? Pleiter vraagt een hernieuwd onderzoek.
De onderwijzeres is overgeplaatst. 'Bij dezen maatregel had het moeten blijven', volgens de raadsman. 'Wat is er nu nog voor reden om den man te ontslaan, te meer daar de ouders zeer gesteld zijn op het aanblijven van het hoofd.'

De zaak is niet degelijk onderzocht, volgens Oppenheimer. Dat lezen we in de Sumatra Post van 10 december 1923.

De ontslagbrief aan den hoofdonderwijzer is feitelijk de eenige basis van de procedure. In dien brief staat niets anders, dan dat de heer B. ontslagen is om hem bekende redenen. Dit stuk, als basis van het proces, kwam wel uit de lucht vallen, maar de uitdrukking “om u bekende redenen” laat zeer veel ruimte.

Op zekeren dag had in het dorp een invasie van autoriteiten plaats. De hoofdinspecteur, de inspecteur en een schoolopziener hebben toen zoowel het hoofd als de onderwijzeres een verhoor afgenomen. De indruk, die dit verhoor op de heeren heeft gemaakt, vormt nu het eenige materiaal voor de “bewijsvoering”. Van een proces-verbaal, een door appellant geteekend stuk, is geen sprake.

In zijn schrijven aan Gedep. Staten betoogt de inspecteur, dat de heer B. bekend zou hebben.

Uit geen enkel stuk blijkt echter, dat hij en de onderwijzeres werkelijk de genoemde feiten hebben bekend. In deze quaestie schijnt nog niet het noodige licht. Pleiter vraagt dan ook een hernieuwd onderzoek, waarbij den appellant ook behoort te worden toegestaan zich te doen bijstaan. Waarom Ged. Staten dit niet gedoogen, is spr. een raadsel.
Staatsraad mr. De Vries geeft  nog wel een verklaring voor dat gebrekkige onderzoek: als men bij hernieuwd onderzoek in de zaak aan het roeren gaat, is de mogelijkheid niet uitgesloten dat er nog meer feiten aan het licht komen, 'wat voor den betrokkene nog nadeeliger zou zijn'.

Volgens Oppenheimer wordt een verder onderzoek niet gevreesd. In Hepkema's Courant staat abusievelijk dat zo'n onderzoek niet gevraagd wordt.

Uit de reactie van De Vries is duidelijk dat het hoofd niet geloofd wordt. Hij is veroordeeld op wat misschien wel het verhaal van een enkele leerling is. Die zal niet zelf naar de burgemeester gelopen zijn. Als het verhaal via via bij de burgemeester gekomen is, is er grote kans dat het verhaal intussen flink is aangedikt.

Het kan natuurlijk zijn dat het hoofd en de onderwijzeres stiekem een relatie hadden, maar uit de krantenberichten blijkt dat niet. In ieder geval kon een getrouwd man ontslagen worden, zij het eervol, als hij op zijn minst de schijn wekte dat hij 'een ongeoorloofde relatie' had met een onderwijzeres.

Die onderwijzers is zonder pardon overgeplaatst en raadsman Oppenheimer vindt dat blijkbaar best: 'Bij dezen maatregel had het moeten blijven'. Met vrouwen kon je schuiven, blijkbaar. Het zou nog decennia duren voordat de motie Tendeloo zou worden aangenomen (1955), waarna vrouwen in overheidsdienst niet meer automatisch ontslagen konden worden als ze gingen trouwen. Opmerkelijk is dat al in 1910 een commissie is ingesteld die moest onderzoeken of onderwijzeressen niet konden aanblijven als ze gingen trouwen, volgens het Rotterdamsch Nieuwsblad van 15 augustus 1910.

Maar in de jaren twintig keek blijkbaar niemand er vreemd van op toen de onderwijzeres werd overgeplaatst. Sterker nog: aan haar lot besteedt geen enkele krant verder enige aandacht.

Het hoofd is op alle niveaus in het ongelijk gesteld. Of deze heer B. nog lang in het onderwijs werkzaam is geweest, is niet duidelijk. Zoals in de vorige bijdrage al vermeld is besluit de gemeente op 3 mei 1923 om de openbare school op te heffen. Gedeputeerde Staten besluiten op 7 november 1923 hun goedkeuring aan dat besluit te onthouden. Hiertegen gaat de gemeente in beroep. Dat beroep werd op 23 augustus 1924 behandeld, volgens De Maasbode van 9 september 1924. Uiteindelijk wordt de school toch gesloten. Bij Koninklijk besluit wordt het het besluit van Gedeputeerde staten vernietigd.


Het besluit van de gemeente wordt genomen in mei 1923 en de ophef over het hoofd en de onderwijzeres ontstaat, als we afgaan op de krantenartikelen, pas in oktober 1923. Zouden de omhelzingen uiteindelijk toch geleid hebben tot het sluiten van de school?

In ieder geval had de school rond die tijd nauwelijks leerlingen.


Op 12 januari 1924 heeft de school nog elf kinderen van wie negen leerplichtig zijn. Bij het begin van het nieuwe schooljaar (op 1 april 1924) komen er geen leerlingen bij, zodat er geen eerste klas gevormd kan worden.

Na het Koninklijk besluit kon de gemeente de school sluiten en kon men de hele affaire achter zich laten.

vrijdag 5 januari 2018

Lager onderwijs in Herveld, voorgeschiedenis


Herveld is maar een klein dorpje. Er is aardig wat gebouwd de laatste decennia en het dorpshart is vernieuwd, maar toch: een dorpje, wat borden met Herveld-Zuid en Herveld-Noord niet kunnen verhullen. Toen ik er opgroeide had het zo'n drieduizend inwoners. Dat is in ieder geval het getal dat ik toen hoorde, maar net als in de serie die ik schreef over mensen die langs de deur kwamen, wil ik ook hier benadrukken dat het geheugen een onbetrouwbaar instrument is en in dezen is mijn geheugen mijn enige bron.

In het Historisch en Geographisch Woordenboek van Servaas de Bruin uit 1869 wordt Herveld als volgt omschreven:
Herveld, of Harveld, dorp in de Over-Betuwe, prov. Gelderland, aan de Waal, 2 uren gaans bewesten Nijmegen; 900 inw.; leed veel door den watervloed van 1809. Waarschijnlijk het Castra Herculis op de kaart van Peutinger.
In mijn vorige bijdrage uitte ik mijn voornemen om te gaan schrijven over wat ik mij herinner van de lagere school. Ter voorbereiding daarop heb ik wat gegrasduind op internet over wat ik kon vinden over de voorgeschiedenis van die lagere school.

Herveld behoorde lang tot de gemeente Valburg. Tegenwoordig maakt Herveld deel uit van de gemeente Over-Betuwe, die grofweg bestaat uit de vroegere gemeenten Valburg, Heteren en Elst. Uit een lijst uit 1820 blijkt dat er binnen de gemeente Valburg openbare lagere scholen waren in Valburg, Herveld, Andelst, Oosterhout, Slijk-Ewijk en Homoet. Zetten zal in 1848 een lagere school krijgen. Deze en de volgende gegevens ontleen ik aan het Gelders Archief.

In de jaren zestig van de negentiende eeuw ontstaan de eerste christelijke scholen. In 1867 in Andelst, in 1872 in Zetten en in 1873 in Herveld. Op die laatste school was ik leerling van 1965 tot 1971. De school bestond in 1968 op vijf jaar na een eeuw. Er werd een schoollied geschreven, waarvan ik het eerste couplet nog kan zingen:
Vijfennegentig jaar geleden
werd alhier de school gesticht,
onder druk en tegenheden,
maar het oog op God gericht. 
Mijn moeder kent waarschijnlijk de overige coupletten nog. Ik kom daar in een volgende bijdrage op terug.

Toen ik in de hoogste klas van de lagere school zat, verhuisde de school van de Schoolstraat in Herveld-Zuid naar Herveld-Noord. De school, die in het dagelijks taalgebruik de christelijke school werd genoemd, kreeg toen ook een fraaie naam: Clara Frabriciusschool.

Openbare school

Als de christelijke scholen opgericht worden, loopt het aantal leerlingen aan de openbare scholen terug. De openbare scholen voor Zetten, Andelst en Herveld worden samengevoegd. In 1873 verrijst er aan de Jaffastraat 1 een nieuw schoolgebouw, Veldzicht. Het gebouw staat er nog.

Dat is niet meer exact het oorspronkelijke gebouw. In 1904 werd Veldzicht verbouwd. Daar was niet iedereen het mee eens. Toen de gemeenteraad het besluit tot verbouwing had genomen, maakte een groep Zettenaren bezwaar bij Gedeputeerde Staten. Dat is te lezen in de Arnhemsche Courant van 12 juni 1904. De inwoners van Zetten verzoeken Gedeputeerde Staten de goedkeuring aan het raadsbesluit te onthouden. Zij vinden dat er weer een openbare school in de kom van Zetten moet komen. Dan moet er maar een nieuwe openbare school gebouwd worden op de grens van Zetten en Andelst. De actie heeft geen resultaat. De verbouwing van Veldzicht gaat door.

Veldzicht. Beeld afkomstig van de site van de gemeente Overbetuwe


Rond de eeuwwisseling is H. Daniëls hoofd der openbare school. Hij is een actief man, die in besturen zit en lezingen houdt, ook op provinciaal niveau. In 1906 wordt hij gekozen als bestuurslid van de provinciale vereniging Gelderland van de Vereeniging van hoofden van scholen van Nederland. (Het Nieuws van den Dag, 31 december 1906).

 

Wat verdient een onderwijzer?

In Het nieuws van den dag van 15 mei 1900 worden sollicitanten opgeroepen voor een vacature aan de Openbare Lagere School in Herveld:


Een jaarwedde van 500 gulden dus. Het salaris van onderwijzers ging er in de loop der jaren wel op vooruit. In de Opregte Haarlemsche Courant van 7 november 1867 wordt een hulponderwijzer in Herveld nog een jaarwedde van 300 gulden in het vooruitzicht gesteld. Hij moet dan wel bevoegd zijn om les te geven in 'de fransche taal'.


Twee jaar later staat in dezelfde krant precies dezelfde advertentie. Het loon is ook gelijk gebleven. Niet op elke school verdiende je overigens hetzelfde. Wat geblader in kranten uit 1869 en 1870 levert veel vacatures op waarin hetzelfde loon geboden wordt als bij de school in Herveld, bijvoorbeeld in IJsselmuiden, Zieuwent (gemeente Lichtenvoorde), Haaksbergen, Leur, Rouveen, Loonopzand, Avereest, Woensdrecht, Scherpenzeel, Wolvega en Vinkega.

Een hulponderwijzer in Wadway, gemeente Wognum, verdient 100 gulden, maar heeft wel kost en inwoning. Je kunt 250 gulden verdienen als je hulponderwijzer wordt in Wijhe (buurtschap Wegterholt) of Bovenknijpe; een onderwijzer in Diepeveen verdient jaarlijks 270 gulden en in Kooten 275 gulden.

In Roelof-Arendsveen, Geertruidenberg, Echteld, Zeist, Dragten en Harderwijk kun je overigens 350 gulden verdienen en in Buiksloot krijg je bovendien 50 gulden emolumenten.  In Rosendaal, Noordbrabant, Leeuwarden en Asten verdien je 400 gulden. Bij die laatste vacature worden zeker ook sollicitanten opgeroepen die de rang van hoofdonderwijzer hebben. Ook in Zwartsluis kun je 400 gulden verdienen, maar dan moet je wel in bezit zijn van de akte voor hoofdonderwijzer.

Een hulponderwijzer aan de ULO verdient 450 gulden (Noord-Brabanter 2 januari 1869), als je tenminste een bewijs van goed zedelijk gedrag over kunt leggen.

 

Salaris hoofdonderwijzer

In de beloning van hoofdonderwijzers zijn er grote verschillen. Een hoofdonderwijzer in Oijen verdient 500 gulden, plus 60 gulden emolumenten, met vrije woning en tuin; in Den Dungen 550 gulden, ook met vrije woning en 'aanzienlijken tuin', maar zonder de emolumenten.

Een hoofdonderwijzer in Breda verdient 400 gulden, met vrije woning. Dat lijkt bescheiden, maar het hoofd krijgt ook nog eens tien gulden voor elke leerling boven de dertig (niet de leeftijd, maar het aantal). De school telt dan 240 leerlingen. Wat wil zeggen dat het hoofd 2100 gulden extra krijgt bij de huidige leerlingenpopulatie. Een ongekend hoog bedrag.

Een hoofdonderwijzer in Rosendaal, waar ze, gezien het salaris van een hulponderwijzer, niet slecht van betalen zijn, krijgt vijftien cent per maand per schoolgaand kind, maar hij heeft wel een jaarwedde van 1200 gulden, als hij tenminste Hoogduitsch kan geven.

In Herveld gaat de jaarwedde tussen 1867 en 1900 omhoog van 300 naar 500 gulden. In 1886 bedraagt het loon van een onderwijzer 400 gulden, getuige een advertentie voor een vacature voor twee onderwijzers in Oosterhout, in dezelfde gemeente.

Veel kranten kennen een rubriek met onderwijs- en kerknieuws, waarin gemeld wordt wie er waar als onderwijzer benoemd zijn. Er is een strikte scheiding tussen het christelijke en het openbare onderwijs. In 1904 wordt de heer De Blauw ontslagen bij de christelijke school in Mijdrecht, omdat hij heeft gesolliciteerd naar betrekking bij het openbaar onderwijs. Aan zo iemand kunnen de christelijke kinderen blijkbaar niet meer worden toevertrouwd. De Arnhemsche Courant van 5 juli 1904 bericht erover.

Rijksbijdrage

Het christelijk onderwijs in Herveld heeft zijn eigen geldproblemen. De christelijke school valt in 1902 nog onder de Nederduitsch Hervormde Kerk. De kerkvoogdij tekent bezwaar aan tegen het besluit van Gedeputeerde Staten op 18 maart 1902 om geen Rijksbijdrage te verstrekken over de laatste drie maanden van 1901. De school telde toen honderd leerlingen die leskregen van de hoofdonderwijzer en een hulponderwijzer. Volgens de richtlijnen hadden er naast het hoofd twee onderwijzers behoren te zijn bij dat aantal leerlingen.

Meer dan vier maanden was er een vacature geweest, maar blijkbaar was die pas vervuld vlak voor 1 oktober. Daarna had de Rijksbijdrage er dus moeten komen. Die bedroeg 175 gulden, waarvan je een onderwijzer gemakkelijk drie maanden lang kunt betalen. De kerkvoogdij kreeg overigens gelijk: voor de maanden waarover de school een subsidie vroeg, werd er aan de eisen voldaan. Het geld
kwam binnen. (Nederlandsche Staatscourant 9 augustus 1902)

Opheffing openbare school

In 1924 wordt J. Hogeweg benoemd tot hoofd van de christelijke lagere school (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 27 juni 1924). Dan valt zo ongeveer het doek voor de openbare school. De gemeenteraad van Valburg besloot dat jaar tot opheffing van de openbare school, maar Gedeputeerde Staten gaan daarmee niet akkoord. De gemeenteraad gaat in beroep, lezen we in De Telegraaf van 9 september 1924. Heeft dat effect gehad? Ik kan het niet terugvinden.

De openbare lagere school was in 1923 in de publiciteit gekomen door het hoofd dat te veel affectie had betoond aan een onderwijzeres. Dat saillante verhaal vertel ik binnenkort. Mogelijk heeft de ophef invloed gehad op het aantal leerlingen of op het besluit van de gemeenteraad de openbare school op te heffen.

Toen ik schoolging, was er in ieder geval geen openbare school meer in Herveld. De rooms-katholieke Willibrordusschool stond in Herveld-Noord, bij de katholieke kerk. Die school staat er nog, maar nu in een nieuw gebouw. De protesteantse school stond aan de Schoolstraat in Herveld-Zuid, bij de Nederlandse Hervormde kerk. In het gebouw heeft, na de verhuizing van eind jaren zestig, nog enkele jaren een bedrijf gezeten dat fel oranje koffers maakte, getuige de restjes die wij als kinderen in de afvalcontainer vonden. Intussen staan er vier woningen en is er geen school meer in de Schoolstraat, zoals er ook geen kerk is te bekennen in de Kerkstraat.

Veldzicht werd op 10 november 1941 in gebruik genomen als Rijks Middelbare Landbouwwinterschool. In september 1944 hebben Engelse oorlogsvliegers zich schuilgehouden op de zolder.

Veldzicht, beeld van de site van gemeente Overbetuwe


Toen ik klaar was met de lagere school fietste ik nog wel eens langs Veldzicht als ik op weg was naar de mavo. Het gebouw zag er nog steeds als een schoolgebouw uit, maar mij was toen niet duidelijk wat er in gebeurde. Nu is er een antiekhandel gevestigd.

Naschrift

Herman Stevens maakte mij er terecht attent op dat voor een goed besef van de hoogte van het salaris van onderwijzers bekend zou moeten zijn wat men bij andere beroepen verdiende. Uit kranten uit 1869 haalde ik de volgende jaarsalarissen:



· een fatsoenlijke dienstmaagd, kunnende koken en werken, 60 gulden
· een dienstbode 65 gulden
· een bonne of kindermeid 100 gulden
· een vroedvrouw (Duiven) 100 gulden
· een vrouwelijke bediende voor de ziekenverpleging (Stads-Ziekenhuis Hoorn) 125 gulden plus kost en inwoning
· bij het gereformeerde Weeshuis in Haarlem een meisjesmoeder 140 gulden (plus kost, inwoning, bewassing en geneeskundige hulp). Een kindermoeder verdiende 120 gulden
· een geneesheer (Zevenhoven) 200 gulden
· een plantsoenwerker (Wageningen) 250 gulden
· een veldwachter (Oldenzaal) 202 gulden, benevens 30 gulden voor bovenkleding
· een Roomsch-katholiek geneeskundige, zijnde Doctor in de Medicijnen en bevoegd tot de uitoefening der Geneeskunst in haren geheelen omvang, 300 gulden
· een gemeente-geneesheer 300 gulden
· klerk ter secretarie (Brummen) 300 gulden
· een genees-, heel- en verloskundige (provincie Noord-Brabant) 350 gulden.
· een huisschilder 8 gulden per week en in de laatste twee maanden van het jaar 6 gulden per week: zo’n 400 gulden
· een klerk op de gemeentesecretarie (Hengelo, Overijssel) 400 gulden
· een directeur-boekhouder der gemeentelijke gasfabriek in Bolsward: 600 gulden
· in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging te Leeuwarden een meesterknecht bij de Directie over den arbeid, ervaren in de fabricatie van laken- en wollen-stoffen 720 gulden per jaar
· de jaarwedde van gemeentesecretaris van Meppel werd verhoogd van 800 tot 1000 gulden verhoogd
· docenten aan de hbs: leraar scheikunde 1700 gulden, een leraar wiskunde (onderbouw) 1500 gulden.
· voor de avond-hbs: een leraar die zowel geschiedenis als de staatswetenschappen en het boekhouden onderwijst: 2000 gulden. Kan hij alleen overweg met de geschiedenis en de staatswetenschappen: 1800 gulden, alleen geschiedenis en boekhouden: 1600 gulden, alleen geschiedenis 1400 gulden, alleen staatswetenschappen 500 gulden en alleen boekhouden 300 gulden.
· Stedelijk gymnasium ’s-Hertogenbosch: rector 2000 gulden
. een conrector 1500 gulden Praeceptor aan het stedelijk gymnasium van Groningen 1600 gulden
· professoren van 4000 gulden tot 6000 gulden