woensdag 31 januari 2018

Peren van ooit

Zwijndrechtse wijnpeer
Wie voor peren naar de supermarkt gaat, heeft niet veel keus: Conference, Doyenné de Comice en natuurlijk Gieser Wildeman. Meestal is dat het wel. Hier schreef ik over de appelrassen die ik me herinner uit mijn jeugd. De perenrassen van toen mogen er ook zijn.

Mijn vroegste herinneringen gaan terug naar de Juttepeer. Ik zie de vrij kleine peertjes voor me, maar ik weet niet meer hoe ze smaakten. Mijn herinnering geldt vooral de boom, waarvan de onderste tak bijna horizontaal uit de stam kwam. Mijn vader had daar een schommel aan opgehangen en daarop heb ik als kind heel wat uren doorgebracht. Toen ik groter werd, kon ik me ook aan die tak ophijsen en daarna verder in de boom klimmen.
Juttepeer

Bij het huis aan de Merkenhorststraat stond ook een rij perenbomen, parallel aan de weg, langs de groentetuin, maar ik kan me niet meer herinneren welke peren dat waren. Ik zal er mijn moeder naar vragen.

We hadden meer perenbomen in Herveld. In de achterste bongerd stonden er wat. Er stond bijvoorbeeld een rijtje peren langs de heg die de boomgaard scheidde van het huis van de dominee. Ik vermoed dat het Gieser Wildemannen geweest zijn. Toen mijn oom Ab als jonge man meehielp met de pluk, zong hij keihard rocknummers, zodat die in de pastorie te horen zouden zijn: 'One, two, three o'clock, four o'clock, rock!' klonk het dan door de boomgaard en: 'Hey Baberiba!'

Maar de scherpste herinneringen aan perenrassen heb ik aan de peren uit de boomgaard in Loenen. Als je over 'het slag' de boomgaard in kwam had je aan je linkerhand een stuk of vier Zwijndrechtse Wijnperen. Daar hadden wij een hekel aan. Het waren namelijk heel hoge bomen. Mijn broer en ik hadden een ladder (een leer) van dertig sporten, mijn vader had 'een 43-sporter', een zwaar gevaarte. Daar torenden de bomen overigens nog boven uit.

Wij plukten tot zover we erbij konden en dat was al niet gemakkelijk. Sommige takken reikten ver naar buiten. Je stak dan een been door de leer, klemde een sport in je knieholte en ging achterover hangen om de peren te bereiken. Ik was daar geen held in, maar het moest toch gebeuren.

Als wij klaar waren, kwam mijn vader met de lange leer, zodat de toppen geplukt konden worden. Ik zie nog hoe hij zorgvuldig de 43-sporter in de boom plaatste, mijn broer aankeek en zei: 'Toe maar, jong.' Mijn broer die ook opzag tegen het klusje antwoordde: 'Het oude brood moet eerst op,' waarna mijn vader naar boven klom.

Als we de Zwijndrechtse aan het plukken waren, kon het al flink slecht weer zijn. Het waren de laatste peren van het seizoen. Als ik het mij tenminste goed herinner.

Tegenover de Zwijndrechtse wijnperen stonden de peren die wij de Lucassen noemen: Buerré Alexander Lucas. Ik kwam ook wel de spelling Buerré Alexandre Lucas tegen. Hier las ik dat de peer 'matig' smaakt, maar zo herinner ik mij hem helemaal niet. Peren moet je eten als ze goed rijp zijn en dan is de Alexander Lucas best lekker. Alle perenrassen die beginnen met Buerré (wij zeiden Bré) hebben een iets wrange smaak. Daar moet je wel van houden.

Buerré Hardy, wel wat roder dan in mijn herinnering
Het waren stevige peren, die Lucassen, en als we ze oogstten, maakte mijn moeder er altijd een lekker toetje mee: perendroom. Ze kookte de geschilde, hele peren in rode wijn (dat zal wel een vruchtenwijn geweest zijn). Ieder kreeg een schaaltje met een peer, onderin nog wat wijn en eroverheen chocolademousse. We pakten de peer bij het steeltje en lepelden hem zo op.

Er waren veel soorten bré-peren, maar wij hadden alleen nog de Buerré Hardy, als ik het goed heb. Die was donkerder en bruiner van kleur. Alleen maar lekker als hij goed rijp was. Er stonden een paar bomen in het veldje met Lucassen. Mijn vader pootte er ook een paar stoofperen tussen: Bredero's, vrij ronde peren, die een rode blos konden krijgen.

Wij waren als kinderen niet zo in stoofperen geïnteresseerd. Natuurlijk vonden we ze lekker, maar je kon ze niet zo van de boom eten. Het schillen, zeker van de kleinere peren, was trouwens een heel werk. Mijn vader nam dan een deel voor zijn rekening.

Wij hadden natuurlijk in Loenen ook verschillende bomen met Gieser Wildeman. We hadden verder nog Saint Rémy, waarvan ik niet beter wist of het ras heette Sinteremie. Dat was het wel wat wij aan stoofperen hadden. Ik had in die tijd al wel gehoord van IJsbouten of Winterjannen, maar ik herinner mij niet dat die in onze boomgaard stonden.

De lekkerste peer vonden wij Triumph de Vienne, die wij Triums noemden. Je vindt ze nog wel eens in de supermarkt. Als hij goed rijp is, is de Triumph een erg smakelijke en sappige peer. Laat je hem te lang liggen, dan wordt hij 'buikziek' en rot hij vanbinnenuit.

Triumph de Vienne
Conference hadden we heel wat. Wij spraken over Conferenten. De vogels lustten ze ook en in de toppen van de bomen waren soms verschillende peren aangepikt. Daarin zaten dan vaak wespen. Dat betekende dat je goed moest uitkijken bij het plukken: een peer kon er aan de voorkant gaaf uitzien en aan de achterkant vol wespen zitten.

De mooiste peer vond ik de Bonne Louise, die Bonne Louise d'Avranches blijkt te heten: een glimmende peer met een donkerrode blos. In mijn herinnering spraken wij de naam van het ras uit als 'Bonnewie' of 'Bollewies'. Een doodenkele keer kom ik ze tegen bij de groenteman en dan koop ik ze altijd, voor een deel uit jeugdsentiment, vermoed ik. De smaak vind ik nog altijd goed, maar ook die zal wel beïnvloed zijn door mijn herinneringen.
Bonne Louise d'Avranches

Ik herinner mij ook perenrassen die mijn vader niet teelde. Ome Wout had Claps (Clapps Favourite) en Légipont en ook Precose, waarvan de naam uitgesproken werd met o van 'roze'. De volledige naam is Précose de Trévoux. Ik geloof dat Ome Wout ook Doyenné de Commice had, maar dat weet ik niet zeker.

Verder herinner ik me de Kruidenier. Had ome Kors die? Misschien wel. Ook van het ras Maagdenpeer had ik toen wel eens gehoord. Misschien viel ooit wel eens in een gesprek de naam Kweepeer of Dirkjespeer of Pondspeer, maar ik vermoed dat ik die pas later heb leren kennen, in een fruittuin.

Intussen zijn er veel nieuwe rassen gekomen: Condo, Concorde, Sweet Sensation. Mijn broer zal er nog wel een paar uit zijn mouw kunnen schudden. Natuurlijk zijn het goede peren en ze zullen ook best smakelijk zijn, maar ik heb toch de neiging om eerst te grijpen naar de lekkere peren uit mijn jeugd, zoals de Triumphs en de Bollewies. En anders kan ik nog altijd een Conference eten. Ik vond hem indertijd niet bijzonder, maar de peer heeft zich in de loop van de decennia altijd kunnen handhaven en het zou me niet verbazen als het een van de meest verkochte peren blijkt te zijn.

En dan waren er nog veel meer rassen, waarbij ik geen voorstelling en geen herinnering heb. Maar het is mooi om de namen voor je uit te mompelen: Bloedpeer, Winterrietpeer, Kleipeer, Noord-Hollandse Suikerpeer, Comptesse de Paris, Dubbele Flip, Buerré Superfin, Buerré Chaboceau (Jefkespeer), Durondeau, Jodenpeer.

Naschrift: mijn moeder vertelde me dat het rijtje peren naast de moestuin bestond uit in ieder geval winterjannen. Mogelijk stonden er nog andere peren tussen.
Bert van Binsbergen maakte mij attent op 'het recht van overpoot': het recht om over de sloot, in de berm bomen te poten. Ik weet dat mijn ome Kors zo'n rijtje stoofperen had in de berm. Het recht van overpoot dat ook onder andere namen voorkomt (recht van voorpoting, recht van pootstede, recht van aanschot) stamt uit de tijd voor 1838. Daarna zijn er geen pootrechten meer ontstaan. Kijk hier voor meer details.
Henk Romein maakte me er attent op dat er zoete en zure bredero's waren en dat het ras Kapel-Avezaatse bestond. 

dinsdag 30 januari 2018

Wà gij? (Daan Viergever)


Vroeger was er in het dorpje Zetten een uitstekende boekhandel, die zich goed staande kon houden, mede doordat de scholen de schoolboeken en de boeken voor bibliotheek bij het zaakje betrokken. Maar tegenwoordig is het armoe troef. Tot voor kort was er nog een computerwinkeltje dat ook in boeken deed, maar de boeken gingen eruit en werden onlangs verkocht met dertig procent korting.

Het was een droevige vertoning: een jeugdboekengids van vijf jaar geleden, een HP/De Tijd die een half jaar oud was en verder wat los spul. Maar ik vond er ook het boekje Wà gij? met als ondertitel: 'Verhalen in het Betuws door Djerk van Hanje van Mie'. Onder dat pseudoniem publiceerde Daan Viergever zijn stukjes in een plaatselijk blaadje. Hij las ze ook wel voor bij Radio Gelderland.

Viergever is werkzaam geweest in het onderwijs, maar heeft zijn sporen ook verdiend in het spitten in de streekgeschiedenis. Bovendien heeft hij heel wat opgetreden als entertainer met zijn verhalen in het Betuws.

De stukjes die verzameld zijn in Wà gij? werden gepubliceerd of voorgelezen in de periode 1992 - 2003. Voor in het boek staat '1923 - 2003'. Het is niet duidelijk waarop dat eerste jaartal slaat.

Voor op, voor in en achter op het boek laat Viergever zich portretteren als een plattelander of misschien wel als een boer: pet op en een kiel aan. Ik vermoed dat die grijs is en ik meen me te herinneren dat wij de kiel een 'keel' noemden. Zo laat hij zien dat hij geen buitenstaander is, maar deel uitmaakt van wat hij beschrijft.

Ik had nooit eerder iets gelezen van Viergever; het leek me gewoon leuk om wat te lezen in het Betuws, dat mijn moedertaal is. Ik had eerder ook wel andere boekjes gekocht met titels als Groebele ien de ben, Bètuwse Brökskes en Vad'je van Valburg vertelt. En ik las al lang geleden werk van Attie Nieboer en J.J. Cremer.

De korte columnachtige stukken van Viergever (58 stuks) zijn goed gelukt. Meestal weet hij een stukje mooi rond te breien door aan het slot aan te sluiten bij het begin. Verder neemt hij je in de loop van het boek mee in de loop van het jaar. Dat geeft structuur aan het werk. Behalve dat is Viergever een onderhoudend verteller, die de spreektoon goed weet te vatten in wat hij schrijft.

Stukjes in het dialect hebben, misschien juist wel doordat ze in het dialect geschreven zijn, de neiging wat nostalgisch te worden, maar dat is niet erg. Ze zullen ook bedoeld zijn om oude verhalen over te brengen, die anders wellicht verloren zouden zijn gegaan.

Maar Viergever sluit ook aan bij wat indertijd de actualiteit was: de aanleg van de Betuwelijn, de aanleg van straatverlichting langs het Hemmense pad, het afval in de bermen. Daarmee ontstijgt hij de nostalgie.

Sommige anekdotes zijn kostelijk. Bijvoorbeeld over een analfabete man die een brief krijgt als reactie op een contactadvertentie die zijn collega's voor hem geplaatst hebben. Hij kan de brief zelf niet lezen, dus laat hij hem voorlezen. Hij stopt echter wel de vingers in de oren van de voorlezer, want die hoeft niet te horen wat er in de brief staat.

Bijna alle stukjes eindigen met 'wà gij?' Dat is een uitdrukking in het Betuws waarmee je om bevestiging vraagt. Het betekent zoveel als: 'Nietwaar?' 'Dat vind jij toch zeker ook?' Er komen in de stukjes nog meer fraaie Betuwse uitdrukkingen voor. Sommige waren mij bekend, maar de volgende kende ik nog niet. Als je het hebt over iets dat zich in de verre toekomst afspeelt: 'da's nog zo wijd weg, dan schèt d'r een ekster die nou nog gin kont het.' Of de weerspreuken: 'Een rad um de maon zal in règen en wijnd vergaon' en 'Een rad um de zon, doar schrauwe vrouw en kijnder om'. En vergèt ok nie: 'D'n donder in ut dorre hout gif een vurjoar, schroal en koud.'

Uit alle stukjes blijkt een warme betrokkenheid bij de streek en in het bijzonder bij het fruit. Daaraan worden heel wat stukjes gewijd. Ook met een zekere weemoed. Er zijn in de loop der jaren immers heel wat boomgaarden gerooid. In Andelst en Herveld zouden voor de oorlog niet minder dan 103 kersenboomgaarden te tellen geweest zijn.

Als een kersenplukker een dubbele kers vond, moest er jenever komen, vertelt Viergever. Mij was het gebruik niet bekend, maar mijn moeder bevestigde het. Volgens haar werd de dubbele kers pontificaal opgehangen in de 'tent' die in elke kersenboomgaard tijdens de kersenoogst gespannen was. Wij hadden geen kersen, maar Ome Wout in Loenen wel. Ik herinner mij dat mijn tante kersenpannenkoeken bakte als er een dubbele kers gevonden werd.

Mijn moeder sprak verder over het stoken van een vuurtje in de kersenboomgaard waarboven vogels gebraden werden en ook dat er vaak een vaatje zoute haring in de kersentent stond. Het moet voor mijn tijd geweest zijn en Viergever zegt er niets over.

Wà gij is een leuke bundel. De stukjes geven zicht op een stukje plattelandsleven van vroeger en ook nog wel van nu. Bovendien is Viergever een onderhoudend verteller. Degenen die moeite hebben met het Betuws, moeten zich het advies van de schrijver maar ter harte nemen: hardop lezen. Dan zal het wel te doen zijn.

vrijdag 26 januari 2018

Lampje (Annet Schaap)


In de jaren tachtig, toen ik nog volop Nederlands gaf aan onderbouwklassen, hield ik de jeugdliteratuur aardig bij. Daarna ben ik wel werk van jeugdboekenschrijvers blijven lezen (David Almond, Aidan Chambers, Daan Remmerts de Vries) en ik heb daar van tijd tot  tijd over geschreven (hier bijvoorbeeld), maar het systematische volgen is wel weg.

Vorig jaar was er ineens veel belangstelling voor een jeugdboek: Lampje van Annet Schaap. Het boek kwam aan het eind van jaar vaak voor in lijstjes met de beste boeken van het jaar. Waarschijnlijk heeft de Griffeljury al een Griffel voor Schaap klaargelegd.

Ook ik nam het boek op in het lijstje met beste boeken die ik vorig jaar niet gelezen had. Recensies had ik al gelezen en ik had ook een mooi interview met haar beluisterd. Ik kocht het boek. En ik las het.

Annet Schaap is vooral bekend als illustratrice. De boeken van bijvoorbeeld Francine Oomen (die nu zelf aan het tekenen is geslagen) staan vol met tekeningen van Schaap. Maar schrijven kan ze ook.

Lampje verplaatst de lezer meteen naar een plek waar jeugdboeken ons graag heen voeren: een wereld die lijkt op de onze, maar de plaats is niet terug te vinden op de kaart en het is niet duidelijk in welke tijd we ons bevinden. Ik moest een beetje denken aan de setting van De kleine kapitein van Paul Biegel, maar misschien herinner ik me die boeken niet goed meer.

Hoofdpersoon is Lampje, die eigenlijk anders heet, die in een huisje bij de vuurtoren woont met haar alcoholistische vader Augustus Waterman. Augustus is weduwnaar en heeft maar één been. Lampje moet dagelijks naar boven om de vuurtoren aan te steken en dan gaat het mis: ze steekt het vuurtorenlicht niet op tijd aan en er vergaat een schip. Lampje wordt uit huis geplaatst en komt terecht in het huis van de Admiraal, waar misschien wel een monster in huist. Dat wordt in ieder geval verteld in de verhalen die de ronde doen.

Graag zou ik het verhaal navertellen, maar nog liever vertel ik het niet. Ik wil niemand de kans ontnemen om zelf te genieten van de onthullingen, de plotwendingen.

Je zou Lampje kunnen zien als een variant op het sprookje van 'De kleine zeemeermin', maar het is beter, gelaagder, dieper borend. Het beantwoordt vragen als: wat ontdek je als je je monster diep in de ogen durft te kijken? Hoe ver gaat de loyaliteit met een ouder die niet altijd een goede ouder kan zijn? Hoe aanwezig zijn de afwezigen? Hoeveel pijn kun je jezelf doen als je probeert te voldoen aan de verwachtingen van anderen in plaats van je innerlijke drang te volgen?

Schaap beschrijft het verhaal in een heerlijke stijl. Ze maakt gebruik van innerlijke stemmen, personificaties (niet alleen alleen de wind is bezield, maar in alles kan het leven zich roeren), plotselinge perspectiefwisselingen, scherpe dialogen en haar zinnen hebben ritme. Zoals de passage waarin Augustus staart naar het licht van de vuurtoren:
Zwiep aan, zwiep uit, zwiep aan. Het is er even en dan is het weer weg, alsof er nooit licht is geweest.
Zwiep aan, zwiep uit. Zwiep licht, zwiep donker. Zo heb je een vrouw, zwiep, en een kind, zwiep, een baan, een been. En zo heb je niks. Alsof ze er nooit geweest zijn. 
Lampje is een prachtig boek, omdat het zoveel facetten van het leven aan bod laat komen. Het leven is niet makkelijk, maar Lampje gaat door. Ze doet dingen die ze eigenlijk niet durft, maar waarvan ze beseft dat ze nodig zijn. Daarmee geeft ze ook de lezer een steuntje in de rug.

Ik heb veel onverteld gelaten, maar je kunt Lampje gerust kopen. Het zal geen miskoop zijn. Het heeft het in zich om een lievelingsboek van veel mensen te worden. Naar de winkel! Lezen! Voorlezen! Weggeven! Erover praten! Ik ga meteen een extra exemplaar halen. 

donderdag 25 januari 2018

Nepnieuws


De Europese Unie gaat nepnieuws aanpakken. Er komt een site waarop niet-kloppende berichten verzameld worden en er wordt een commissie gevormd die het allemaal gaat onderzoeken. Ook Facebook wil iets gaan doen tegen nepnieuws: het gaat een samenwerking aan met de site Nu.nl en met de NieuwsCheckers van de Universiteit Leiden. Nederland is immers een doelwit voor het verspreiden van misleidende berichten, liet minister Olongren weten. Het CPB oppert het plan om te gaan werken met een vergunningenstelsel voor digitale platforms: verspreid je niet het echte nieuws, dan kun je je vergunning kwijtraken.

Voor de goede orde: wat ik zonet verteld heb, is door mij gecheckt en juist bevonden.

Wat is waarheid? Pilatus vroeg het zich al af en het lijkt wel of steeds meer mensen ernaar op zoek zijn. In bijna alle kranten wordt er van berichten of uitspraken gecontroleerd of ze wel kloppen. Daarna komt er een stempel op: ‘klopt helemaal’, ‘klopt grotendeels’, ‘niet te controleren’, ‘grotendeels onwaar’ of ‘er klopt geen zak van’. Zo weten we of we wel goed geïnformeerd zijn.

Vroeger liep men het gevaar misleid te worden door te weinig informatie, nu is eerder een teveel aan informatie er de oorzaak van dat onze burgers niet meer weten hoe het echt zit. Vandaar dat veel mensen op zoek zijn naar de waarheid. Pas als ze de werkelijke feiten boven water hebben, voelen ze zich gerustgesteld.

Ik vind het legitiem dat mensen houvast zoeken. Dat ze willen weten waar ze aan toe zijn. Zoals het ook niet zo vreemd is dat mensen zoeken naar de zin van het leven of denken in causale verbanden. Maar je kunt het ook loslaten: bedenken dat er niet voor alles een logische oorzaak te vinden is, dat het leven wellicht niet per definitie zin heeft en dat we nooit zullen weten wat waarheid is.

Daarom wil ik hier graag een goed woordje doen voor nepnieuws. Het staat in een kwade reuk, maar het levert vaak mooie verhalen op. Zoals het verhaal dat de lengte van de marathon gelijk is aan de afstand tussen Marathon en Athene. Daarom heeft de huidige hardloopwedstrijd zo’n vreemde lengte: 42 kilometer en 195 meter. We zien de boodschapper zich de longen uit het lijf lopen om het nieuws naar Athene te brengen dat de Perzen verslagen zijn. In sommige varianten van het verhaal valt hij ook nog dood neer na het brengen van de boodschap.

Maar klopt het wel? Of heeft de marathon pas zijn huidige lengte gekregen toen de hardloopwedstrijd op de Olympische Spelen van 1908 verlengd moest worden omdat anders de lopers niet pal voor de koninklijke tribune finishten? Het zijn twee mooie verhalen en het is zonde om ze kapot te checken.

Misschien moeten we aanvaarden dat we van veel dingen domweg niet zullen weten hoe het zit. Laten we daarom genieten van de verhalen, of ze nu verspreid worden door Poetin, door Trump, door Kim Jung Un of door de buurvrouw.

Laten we genieten van de verbeelding die onze omgeving kleurt. En laten we vooral ook elkaar verhalen vertellen. Het verhaal van de liefde die niet overgaat; de parabel van de politicus die het beste voorheeft met het land; de legende van de ideale maatschappij; het sprookje van het geluk dat voor het grijpen ligt. En laten we daar vooral ook in geloven.

Van de waarheid wordt niemand gelukkiger.

(afbeelding gestolen van deze site)
Column voorgelezen bij Cultureel Café Dante

vrijdag 19 januari 2018

Kinderen van het Ruige Land (Auke Hulst)


Er gaapt een kloof tussen het aantal boeken dat je wilt lezen en dat je kunt lezen. Er zijn auteurs van wie ik geen enkel boek gelezen heb, al interesseert hun oeuvre mij wel. Tot voor kort was Auke Hulst zo'n auteur. Zijn roman En ik herinner met Titus Broederland nam ik op in de lijst met beste boeken van 2016 die ik niet gelezen had. Maar ook in 2017 las ik het boek niet.

Intussen heb ik wel het boek gelezen dat waarschijnlijk zijn bekendste roman is: De kinderen van het ruige land, uit 2012. In 2016 verscheen de zestiende druk. Het boek is dus succesvol geweest en misschien is het dat nog wel. Het is, lees ik op de achterkant, 'een sterk autobiografische roman'. Wellicht is het zo'n verhaal dat verteld moest worden.

De kinderen van het ruige land is de geschiedenis van een moeder en haar vier kinderen. De zoon Kai is de verteller. Verder zijn er Kurt, Shirley Jane en Deedee. Het boek begint met een inleidend hoofdstuk waarin Kai 23 jaar oud is, beginnend journalist, en zijn moeder hem belt om geld. Het is duidelijk hoe de verhoudingen liggen.

Daarna gaan we terug naar het verleden: 1983. Dat zal het jaar zijn waarin dit deel begint. Binnen het deel verstrijkt de tijd. Het laatste deel speelt in 1998. Kai zoekt daarin zijn moeder op die in het buitenland verkeert, met een huurauto die ze al lang terug had moeten brengen en zonder geld.

We krijgen in de loop van het boek een beeld van het gezin: vader overleden en moeder kan of wil de verantwoordelijkheid voor het gezin niet aan. Het gezin heeft aardig wat ruimte en ruigte om het huis. Dat ruige land slaat ook wel op het ongeregeld leven dat de kinderen leiden. Ze moeten zich maar zo'n beetje zien te redden.

Voor Kai helpt het schrijven bij het zich staande houden. Hij is ook degene die het dichtst staat bij de schrijver, neem ik aan.
Schrijven was niet een bewust besluit. Hij was gewoon begonnen. Wanneer precies? Het was alsof het altijd zo was geweest.
Schrijven is een manier om te ontsnappen aan de werkelijkheid. Door te schrijven kan Kai nieuwe werkelijkheden scheppen, die hij naar zijn hand kan zetten.

Het gehucht waarin de kinderen opgroeien heet het Ruige Land. De boeren om hen heen zijn gelovig:
Op het Ruige Land was God er altijd. Je moest voortdurend strijd tegen hem voeren, of hij nu bestond of niet. Hij bestond in het hoofd van de boeren. 
Het gezin valt buiten de orde waarin de boeren geloven. Toch vreest Kai soms dat er zoiets bestaat als voorbestemd zijn. Hij leeft in het Ruige Land, maar weet dat hij ooit daaraan zal moeten ontkomen. De vraag is of dat zal lukken. De pony Hinnik is een voorbeeld van hoe het in het slechtste geval kan gaan. Het beest hangt zich op aan zijn eigen touw.
Kai legde een hand op Hinniks gespannen buik. Dus zo zal het zijn: je laat je vastzetten aan het touw waarmee je jezelf uiteindelijk verhangen zal. 
De dood is toch al een thema voor Kai. Het gezin is aangeraakt door de dood toen vader stierf, maar als Kai met zijn moeder een partijtje schaak speelt, is de dood er ook.
'Wat gebeurt er als jij doodgaat?'
'Ik ga niet dood.'
'Ooit wel.'
Ze snoof: 'Ik word minstens honderd.'
Kai mompelde: 'Ik ga vast eerder dood dan jij.'
Moeder keek hem strak aan. 'Als je het maar laat!'
Maar de dood zwom al in zijn aderen. Zo voelde het tenminste.
Het lukt Kai om een richting te kiezen, iets te ondernemen, een eigen leven te leiden. Dat valt niet mee als je zo weinig hebt meegekregen.
Het enige wat vastlag, was het verleden, met tentakels die zich onherroepelijk uitstrekten in het heden. Je moest je ervan losrukken. Deed je dat niet, dan liet je je, zoals Kurt, gedwee wurgen, overtuigd van de zinloosheid van verzet.
Moeder probeert zich los te maken van de kinderen. Als niemand haar meer nodig heeft, kan ze verdwijnen. Maar het is de vraag of ouders en kinderen ooit los van elkaar raken. Mooi is de slotregel van de roman:
In haar blik lag de uitdrukking van een bajesklant die, na een mislukte poging, alweer nadacht over een volgende uitbraak. 
Het is lastig om een oordeel te geven over Kinderen van het ruige land. Na het lezen heb ik het boek enige tijd laten liggen, in de hoop dat me vanzelf wel duidelijk zou worden wat ik ervan vind. Ik heb het in ieder geval geboeid gelezen, wat natuurlijk al heel wat is. Het is vooral het onderwerp, vermoed ik, dat me geboeid heeft, de biotoop die geschetst wordt, waarin een gezin leeft in omstandigheden waar je anders geen zicht op hebt.  Dat geldt waarschijnlijk ook wel voor de boeken van Jelmer Jepsen en Lize Spit waarover ik vorig jaar schreef.

Als ik me veiligjes vlak uitdruk door te zeggen dat ik het boek van Hulst 'aardig' vond, zeg ik eigenlijk niks. De vraag is ook of je zo'n, toch vrij heftig, boek 'aardig' kunt vinden.  Toch merk ik dat ik niet voluit enthousiast ben. Komt dat doordat de tijd maar doorglijdt, zonder dat duidelijk is waarom het ene moment wel beschreven is en het andere weggelaten? Dat heeft bij sommige passages iets van 'grote stappen, snel thuis'. Soms trok ik mijn wenkbrauwen op als 'ineens' bleek dat we weer een tijd later leefden. Maar ik zie ook niet meteen hoe je dat als schrijver zou kunnen vermijden.

In ieder geval heb ik na het lezen van Kinderen van het ruige land het boek niet meteen uit mijn hoofd gezet. Als een boek zich ook na lezing bij tijd en wijle aan je op blijft dringen, moet een schrijver echt dingen goed gedaan hebben.

dinsdag 9 januari 2018

'Minnekoozerij of vriendschap?' Een affaire


Op zoek naar informatie over het lager onderwijs in Herveld (zie vorige bijdrage) stuitte ik op een bericht in de Arnhemsche Courant van 26 maart 1924. Onder het kopje 'Raad van State' wordt een aantal koninklijke besluiten genoemd waarvan voorlezing gedaan is in 'de Dinsdag gehouden vergadering van de Raad van State, afdeeling voor de Geschillen van bestuur.'

Een van de besluiten gaat over een beroep van de heer G.J.A.B. te Andelst, voormalig hoofd van openbare school Veldzicht in Herveld. Hij is, bijna een jaar eerder, door de raad van de gemeente Valburg ontslagen en is daartegen in beroep gegaan bij Gedeputeerde Staten. Toen die zijn beroep ongegrond verklaarden, zocht hij het hogerop. Maar ook bij de Raad van State kreeg hij nul op het rekest.

Wat was er voorgevallen? De Arnhemsche Courant meldt het als volgt:


Hetzelfde bericht staat die dag ook in de Provinciale Geldersche Courant en een dag later in Het Vaderland, De Maasbode en de Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Het hoofd van de openbare school heeft dus de onderwijzeres meermalen omhelsd en op de schoot genomen. Dat is blijkbaar een 'ongeoorloofde relatie'. Het hoofd was namelijk getrouwd.

Per 1 april 1923 heeft het hoofd ontslag gekregen, weliswaar eervol, maar hij pikt niet. In oktober van dat jaar zal de affaire uitgebreid in de kranten terugkomen onder titels als 'Een onderwijzeres omhelsd. Met ontslag bestraft', 'Wat het hoofd en de onderwijzeres niet mochten doen' en 'Minnekoozerij of Vriendschap?'

De 'ongeoorloofde relatie' dateert van het voorjaar 1922, het ontslag gaat in per 1 april 1923, maar dat besluit wordt pas door de gemeenteraad genomen op 26 juni 1923. De zaak komt in het nieuws als Gedeputeerde Staten het beroep van de hoofdonderwijzer ongegrond verklaren en hij besluit in beroep te gaan bij de Raad van State. Dan wordt alles uitgebreid uit de doeken gedaan in verschillende kranten in het koninkrijk, niet alleen in het Nieuwsblad van Friesland, Het Vaderland, Twentsche Courant Tubantia en Enschedesche Courant, het Algemeen Handelsblad en De Maasbode, maar ook in de Sumatra Post en de Indische Courant.

Gedeputeerde Staten vinden dat er al genoeg consideratie met het hoofd is geweest: 'met het oog op zijn gezin is het ontslag eerst eenige maanden later en toen op een termijn van 7 weken gegeven.'

Het schoolhoofd gaf overigens een heel andere lezing van de veronderstelde relatie.
Hij wees erop, dat deze niet mag worden opgevat in den zin, die men gewoonlijk daaraan hecht en dus geen gevolgen heeft gehad en dat deze verhouding is ontstaan, doordat hij aan de onderwijzeres een in haar oog grooten dienst bewees, ten gevolge waarvan zij hem spontaan om den hals vloog. Dit geschiedde echter niet in het bijzijn der kinderen, doch toen de kinderen gingen spelen. Eén der leerlingen kwam terug en zag wat geschiedde. De hoofdonderwijzer ontkent ten stelligste, dat hij in de klas in het bijzijn der kinderen de onderwijzeres meermalen heeft omhelsd en op den schoot genomen.
Dat lezen we in verschillende kranten, bijvoorbeeld in het Nieuwsblad van Friesland: Hepkema's Courant van 26 oktober 1923.

Het hoofd wijst erop dat zijn school bovendien op dat moment een eenmansschool is, 'zoodat hij geen onderwijzeres meer kan omhelzen.'

Namens het hoofd spreekt de rechtskundige raadsman mr. M. Oppenheimer uit Den Haag, die opmerkt dat niet alleen het hoofd, maar ook de onderwijzeres ontkent.

Tusschen appellant en de onderwijzeres bestond een vriendschap, die niet erg gewenscht is, vooral niet in een kleine plaats, der erkent pleiter gaarne. Toen de school leeg was, hebben zij elkaar een bewijs van sympathie gegeven. Dit is gezien en overgebracht aan den burgemeester. Toen had er een behoorlijk onderzoek moeten worden ingesteld. Gedep. Staten hebben het verzuim, om ook de ouders en de kinderen over de klachten te hooren, niet goedgemaakt. Zij hebben de zaak nog erger gemaakt en gezegd dat hij haar “meermalen voor de klas omhelsd en op den schoot heeft genomen”. Hoe komen Ged. Staten aan dit materiaal? Pleiter vraagt een hernieuwd onderzoek.
De onderwijzeres is overgeplaatst. 'Bij dezen maatregel had het moeten blijven', volgens de raadsman. 'Wat is er nu nog voor reden om den man te ontslaan, te meer daar de ouders zeer gesteld zijn op het aanblijven van het hoofd.'

De zaak is niet degelijk onderzocht, volgens Oppenheimer. Dat lezen we in de Sumatra Post van 10 december 1923.

De ontslagbrief aan den hoofdonderwijzer is feitelijk de eenige basis van de procedure. In dien brief staat niets anders, dan dat de heer B. ontslagen is om hem bekende redenen. Dit stuk, als basis van het proces, kwam wel uit de lucht vallen, maar de uitdrukking “om u bekende redenen” laat zeer veel ruimte.

Op zekeren dag had in het dorp een invasie van autoriteiten plaats. De hoofdinspecteur, de inspecteur en een schoolopziener hebben toen zoowel het hoofd als de onderwijzeres een verhoor afgenomen. De indruk, die dit verhoor op de heeren heeft gemaakt, vormt nu het eenige materiaal voor de “bewijsvoering”. Van een proces-verbaal, een door appellant geteekend stuk, is geen sprake.

In zijn schrijven aan Gedep. Staten betoogt de inspecteur, dat de heer B. bekend zou hebben.

Uit geen enkel stuk blijkt echter, dat hij en de onderwijzeres werkelijk de genoemde feiten hebben bekend. In deze quaestie schijnt nog niet het noodige licht. Pleiter vraagt dan ook een hernieuwd onderzoek, waarbij den appellant ook behoort te worden toegestaan zich te doen bijstaan. Waarom Ged. Staten dit niet gedoogen, is spr. een raadsel.
Staatsraad mr. De Vries geeft  nog wel een verklaring voor dat gebrekkige onderzoek: als men bij hernieuwd onderzoek in de zaak aan het roeren gaat, is de mogelijkheid niet uitgesloten dat er nog meer feiten aan het licht komen, 'wat voor den betrokkene nog nadeeliger zou zijn'.

Volgens Oppenheimer wordt een verder onderzoek niet gevreesd. In Hepkema's Courant staat abusievelijk dat zo'n onderzoek niet gevraagd wordt.

Uit de reactie van De Vries is duidelijk dat het hoofd niet geloofd wordt. Hij is veroordeeld op wat misschien wel het verhaal van een enkele leerling is. Die zal niet zelf naar de burgemeester gelopen zijn. Als het verhaal via via bij de burgemeester gekomen is, is er grote kans dat het verhaal intussen flink is aangedikt.

Het kan natuurlijk zijn dat het hoofd en de onderwijzeres stiekem een relatie hadden, maar uit de krantenberichten blijkt dat niet. In ieder geval kon een getrouwd man ontslagen worden, zij het eervol, als hij op zijn minst de schijn wekte dat hij 'een ongeoorloofde relatie' had met een onderwijzeres.

Die onderwijzers is zonder pardon overgeplaatst en raadsman Oppenheimer vindt dat blijkbaar best: 'Bij dezen maatregel had het moeten blijven'. Met vrouwen kon je schuiven, blijkbaar. Het zou nog decennia duren voordat de motie Tendeloo zou worden aangenomen (1955), waarna vrouwen in overheidsdienst niet meer automatisch ontslagen konden worden als ze gingen trouwen. Opmerkelijk is dat al in 1910 een commissie is ingesteld die moest onderzoeken of onderwijzeressen niet konden aanblijven als ze gingen trouwen, volgens het Rotterdamsch Nieuwsblad van 15 augustus 1910.

Maar in de jaren twintig keek blijkbaar niemand er vreemd van op toen de onderwijzeres werd overgeplaatst. Sterker nog: aan haar lot besteedt geen enkele krant verder enige aandacht.

Het hoofd is op alle niveaus in het ongelijk gesteld. Of deze heer B. nog lang in het onderwijs werkzaam is geweest, is niet duidelijk. Zoals in de vorige bijdrage al vermeld is besluit de gemeente op 3 mei 1923 om de openbare school op te heffen. Gedeputeerde Staten besluiten op 7 november 1923 hun goedkeuring aan dat besluit te onthouden. Hiertegen gaat de gemeente in beroep. Dat beroep werd op 23 augustus 1924 behandeld, volgens De Maasbode van 9 september 1924. Uiteindelijk wordt de school toch gesloten. Bij Koninklijk besluit wordt het het besluit van Gedeputeerde staten vernietigd.


Het besluit van de gemeente wordt genomen in mei 1923 en de ophef over het hoofd en de onderwijzeres ontstaat, als we afgaan op de krantenartikelen, pas in oktober 1923. Zouden de omhelzingen uiteindelijk toch geleid hebben tot het sluiten van de school?

In ieder geval had de school rond die tijd nauwelijks leerlingen.


Op 12 januari 1924 heeft de school nog elf kinderen van wie negen leerplichtig zijn. Bij het begin van het nieuwe schooljaar (op 1 april 1924) komen er geen leerlingen bij, zodat er geen eerste klas gevormd kan worden.

Na het Koninklijk besluit kon de gemeente de school sluiten en kon men de hele affaire achter zich laten.

vrijdag 5 januari 2018

Lager onderwijs in Herveld, voorgeschiedenis


Herveld is maar een klein dorpje. Er is aardig wat gebouwd de laatste decennia en het dorpshart is vernieuwd, maar toch: een dorpje, wat borden met Herveld-Zuid en Herveld-Noord niet kunnen verhullen. Toen ik er opgroeide had het zo'n drieduizend inwoners. Dat is in ieder geval het getal dat ik toen hoorde, maar net als in de serie die ik schreef over mensen die langs de deur kwamen, wil ik ook hier benadrukken dat het geheugen een onbetrouwbaar instrument is en in dezen is mijn geheugen mijn enige bron.

In het Historisch en Geographisch Woordenboek van Servaas de Bruin uit 1869 wordt Herveld als volgt omschreven:
Herveld, of Harveld, dorp in de Over-Betuwe, prov. Gelderland, aan de Waal, 2 uren gaans bewesten Nijmegen; 900 inw.; leed veel door den watervloed van 1809. Waarschijnlijk het Castra Herculis op de kaart van Peutinger.
In mijn vorige bijdrage uitte ik mijn voornemen om te gaan schrijven over wat ik mij herinner van de lagere school. Ter voorbereiding daarop heb ik wat gegrasduind op internet over wat ik kon vinden over de voorgeschiedenis van die lagere school.

Herveld behoorde lang tot de gemeente Valburg. Tegenwoordig maakt Herveld deel uit van de gemeente Over-Betuwe, die grofweg bestaat uit de vroegere gemeenten Valburg, Heteren en Elst. Uit een lijst uit 1820 blijkt dat er binnen de gemeente Valburg openbare lagere scholen waren in Valburg, Herveld, Andelst, Oosterhout, Slijk-Ewijk en Homoet. Zetten zal in 1848 een lagere school krijgen. Deze en de volgende gegevens ontleen ik aan het Gelders Archief.

In de jaren zestig van de negentiende eeuw ontstaan de eerste christelijke scholen. In 1867 in Andelst, in 1872 in Zetten en in 1873 in Herveld. Op die laatste school was ik leerling van 1965 tot 1971. De school bestond in 1968 op vijf jaar na een eeuw. Er werd een schoollied geschreven, waarvan ik het eerste couplet nog kan zingen:
Vijfennegentig jaar geleden
werd alhier de school gesticht,
onder druk en tegenheden,
maar het oog op God gericht. 
Mijn moeder kent waarschijnlijk de overige coupletten nog. Ik kom daar in een volgende bijdrage op terug.

Toen ik in de hoogste klas van de lagere school zat, verhuisde de school van de Schoolstraat in Herveld-Zuid naar Herveld-Noord. De school, die in het dagelijks taalgebruik de christelijke school werd genoemd, kreeg toen ook een fraaie naam: Clara Frabriciusschool.

Openbare school

Als de christelijke scholen opgericht worden, loopt het aantal leerlingen aan de openbare scholen terug. De openbare scholen voor Zetten, Andelst en Herveld worden samengevoegd. In 1873 verrijst er aan de Jaffastraat 1 een nieuw schoolgebouw, Veldzicht. Het gebouw staat er nog.

Dat is niet meer exact het oorspronkelijke gebouw. In 1904 werd Veldzicht verbouwd. Daar was niet iedereen het mee eens. Toen de gemeenteraad het besluit tot verbouwing had genomen, maakte een groep Zettenaren bezwaar bij Gedeputeerde Staten. Dat is te lezen in de Arnhemsche Courant van 12 juni 1904. De inwoners van Zetten verzoeken Gedeputeerde Staten de goedkeuring aan het raadsbesluit te onthouden. Zij vinden dat er weer een openbare school in de kom van Zetten moet komen. Dan moet er maar een nieuwe openbare school gebouwd worden op de grens van Zetten en Andelst. De actie heeft geen resultaat. De verbouwing van Veldzicht gaat door.

Veldzicht. Beeld afkomstig van de site van de gemeente Overbetuwe


Rond de eeuwwisseling is H. Daniëls hoofd der openbare school. Hij is een actief man, die in besturen zit en lezingen houdt, ook op provinciaal niveau. In 1906 wordt hij gekozen als bestuurslid van de provinciale vereniging Gelderland van de Vereeniging van hoofden van scholen van Nederland. (Het Nieuws van den Dag, 31 december 1906).

 

Wat verdient een onderwijzer?

In Het nieuws van den dag van 15 mei 1900 worden sollicitanten opgeroepen voor een vacature aan de Openbare Lagere School in Herveld:


Een jaarwedde van 500 gulden dus. Het salaris van onderwijzers ging er in de loop der jaren wel op vooruit. In de Opregte Haarlemsche Courant van 7 november 1867 wordt een hulponderwijzer in Herveld nog een jaarwedde van 300 gulden in het vooruitzicht gesteld. Hij moet dan wel bevoegd zijn om les te geven in 'de fransche taal'.


Twee jaar later staat in dezelfde krant precies dezelfde advertentie. Het loon is ook gelijk gebleven. Niet op elke school verdiende je overigens hetzelfde. Wat geblader in kranten uit 1869 en 1870 levert veel vacatures op waarin hetzelfde loon geboden wordt als bij de school in Herveld, bijvoorbeeld in IJsselmuiden, Zieuwent (gemeente Lichtenvoorde), Haaksbergen, Leur, Rouveen, Loonopzand, Avereest, Woensdrecht, Scherpenzeel, Wolvega en Vinkega.

Een hulponderwijzer in Wadway, gemeente Wognum, verdient 100 gulden, maar heeft wel kost en inwoning. Je kunt 250 gulden verdienen als je hulponderwijzer wordt in Wijhe (buurtschap Wegterholt) of Bovenknijpe; een onderwijzer in Diepeveen verdient jaarlijks 270 gulden en in Kooten 275 gulden.

In Roelof-Arendsveen, Geertruidenberg, Echteld, Zeist, Dragten en Harderwijk kun je overigens 350 gulden verdienen en in Buiksloot krijg je bovendien 50 gulden emolumenten.  In Rosendaal, Noordbrabant, Leeuwarden en Asten verdien je 400 gulden. Bij die laatste vacature worden zeker ook sollicitanten opgeroepen die de rang van hoofdonderwijzer hebben. Ook in Zwartsluis kun je 400 gulden verdienen, maar dan moet je wel in bezit zijn van de akte voor hoofdonderwijzer.

Een hulponderwijzer aan de ULO verdient 450 gulden (Noord-Brabanter 2 januari 1869), als je tenminste een bewijs van goed zedelijk gedrag over kunt leggen.

 

Salaris hoofdonderwijzer

In de beloning van hoofdonderwijzers zijn er grote verschillen. Een hoofdonderwijzer in Oijen verdient 500 gulden, plus 60 gulden emolumenten, met vrije woning en tuin; in Den Dungen 550 gulden, ook met vrije woning en 'aanzienlijken tuin', maar zonder de emolumenten.

Een hoofdonderwijzer in Breda verdient 400 gulden, met vrije woning. Dat lijkt bescheiden, maar het hoofd krijgt ook nog eens tien gulden voor elke leerling boven de dertig (niet de leeftijd, maar het aantal). De school telt dan 240 leerlingen. Wat wil zeggen dat het hoofd 2100 gulden extra krijgt bij de huidige leerlingenpopulatie. Een ongekend hoog bedrag.

Een hoofdonderwijzer in Rosendaal, waar ze, gezien het salaris van een hulponderwijzer, niet slecht van betalen zijn, krijgt vijftien cent per maand per schoolgaand kind, maar hij heeft wel een jaarwedde van 1200 gulden, als hij tenminste Hoogduitsch kan geven.

In Herveld gaat de jaarwedde tussen 1867 en 1900 omhoog van 300 naar 500 gulden. In 1886 bedraagt het loon van een onderwijzer 400 gulden, getuige een advertentie voor een vacature voor twee onderwijzers in Oosterhout, in dezelfde gemeente.

Veel kranten kennen een rubriek met onderwijs- en kerknieuws, waarin gemeld wordt wie er waar als onderwijzer benoemd zijn. Er is een strikte scheiding tussen het christelijke en het openbare onderwijs. In 1904 wordt de heer De Blauw ontslagen bij de christelijke school in Mijdrecht, omdat hij heeft gesolliciteerd naar betrekking bij het openbaar onderwijs. Aan zo iemand kunnen de christelijke kinderen blijkbaar niet meer worden toevertrouwd. De Arnhemsche Courant van 5 juli 1904 bericht erover.

Rijksbijdrage

Het christelijk onderwijs in Herveld heeft zijn eigen geldproblemen. De christelijke school valt in 1902 nog onder de Nederduitsch Hervormde Kerk. De kerkvoogdij tekent bezwaar aan tegen het besluit van Gedeputeerde Staten op 18 maart 1902 om geen Rijksbijdrage te verstrekken over de laatste drie maanden van 1901. De school telde toen honderd leerlingen die leskregen van de hoofdonderwijzer en een hulponderwijzer. Volgens de richtlijnen hadden er naast het hoofd twee onderwijzers behoren te zijn bij dat aantal leerlingen.

Meer dan vier maanden was er een vacature geweest, maar blijkbaar was die pas vervuld vlak voor 1 oktober. Daarna had de Rijksbijdrage er dus moeten komen. Die bedroeg 175 gulden, waarvan je een onderwijzer gemakkelijk drie maanden lang kunt betalen. De kerkvoogdij kreeg overigens gelijk: voor de maanden waarover de school een subsidie vroeg, werd er aan de eisen voldaan. Het geld
kwam binnen. (Nederlandsche Staatscourant 9 augustus 1902)

Opheffing openbare school

In 1924 wordt J. Hogeweg benoemd tot hoofd van de christelijke lagere school (Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 27 juni 1924). Dan valt zo ongeveer het doek voor de openbare school. De gemeenteraad van Valburg besloot dat jaar tot opheffing van de openbare school, maar Gedeputeerde Staten gaan daarmee niet akkoord. De gemeenteraad gaat in beroep, lezen we in De Telegraaf van 9 september 1924. Heeft dat effect gehad? Ik kan het niet terugvinden.

De openbare lagere school was in 1923 in de publiciteit gekomen door het hoofd dat te veel affectie had betoond aan een onderwijzeres. Dat saillante verhaal vertel ik binnenkort. Mogelijk heeft de ophef invloed gehad op het aantal leerlingen of op het besluit van de gemeenteraad de openbare school op te heffen.

Toen ik schoolging, was er in ieder geval geen openbare school meer in Herveld. De rooms-katholieke Willibrordusschool stond in Herveld-Noord, bij de katholieke kerk. Die school staat er nog, maar nu in een nieuw gebouw. De protesteantse school stond aan de Schoolstraat in Herveld-Zuid, bij de Nederlandse Hervormde kerk. In het gebouw heeft, na de verhuizing van eind jaren zestig, nog enkele jaren een bedrijf gezeten dat fel oranje koffers maakte, getuige de restjes die wij als kinderen in de afvalcontainer vonden. Intussen staan er vier woningen en is er geen school meer in de Schoolstraat, zoals er ook geen kerk is te bekennen in de Kerkstraat.

Veldzicht werd op 10 november 1941 in gebruik genomen als Rijks Middelbare Landbouwwinterschool. In september 1944 hebben Engelse oorlogsvliegers zich schuilgehouden op de zolder.

Veldzicht, beeld van de site van gemeente Overbetuwe


Toen ik klaar was met de lagere school fietste ik nog wel eens langs Veldzicht als ik op weg was naar de mavo. Het gebouw zag er nog steeds als een schoolgebouw uit, maar mij was toen niet duidelijk wat er in gebeurde. Nu is er een antiekhandel gevestigd.

Naschrift

Herman Stevens maakte mij er terecht attent op dat voor een goed besef van de hoogte van het salaris van onderwijzers bekend zou moeten zijn wat men bij andere beroepen verdiende. Uit kranten uit 1869 haalde ik de volgende jaarsalarissen:



· een fatsoenlijke dienstmaagd, kunnende koken en werken, 60 gulden
· een dienstbode 65 gulden
· een bonne of kindermeid 100 gulden
· een vroedvrouw (Duiven) 100 gulden
· een vrouwelijke bediende voor de ziekenverpleging (Stads-Ziekenhuis Hoorn) 125 gulden plus kost en inwoning
· bij het gereformeerde Weeshuis in Haarlem een meisjesmoeder 140 gulden (plus kost, inwoning, bewassing en geneeskundige hulp). Een kindermoeder verdiende 120 gulden
· een geneesheer (Zevenhoven) 200 gulden
· een plantsoenwerker (Wageningen) 250 gulden
· een veldwachter (Oldenzaal) 202 gulden, benevens 30 gulden voor bovenkleding
· een Roomsch-katholiek geneeskundige, zijnde Doctor in de Medicijnen en bevoegd tot de uitoefening der Geneeskunst in haren geheelen omvang, 300 gulden
· een gemeente-geneesheer 300 gulden
· klerk ter secretarie (Brummen) 300 gulden
· een genees-, heel- en verloskundige (provincie Noord-Brabant) 350 gulden.
· een huisschilder 8 gulden per week en in de laatste twee maanden van het jaar 6 gulden per week: zo’n 400 gulden
· een klerk op de gemeentesecretarie (Hengelo, Overijssel) 400 gulden
· een directeur-boekhouder der gemeentelijke gasfabriek in Bolsward: 600 gulden
· in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging te Leeuwarden een meesterknecht bij de Directie over den arbeid, ervaren in de fabricatie van laken- en wollen-stoffen 720 gulden per jaar
· de jaarwedde van gemeentesecretaris van Meppel werd verhoogd van 800 tot 1000 gulden verhoogd
· docenten aan de hbs: leraar scheikunde 1700 gulden, een leraar wiskunde (onderbouw) 1500 gulden.
· voor de avond-hbs: een leraar die zowel geschiedenis als de staatswetenschappen en het boekhouden onderwijst: 2000 gulden. Kan hij alleen overweg met de geschiedenis en de staatswetenschappen: 1800 gulden, alleen geschiedenis en boekhouden: 1600 gulden, alleen geschiedenis 1400 gulden, alleen staatswetenschappen 500 gulden en alleen boekhouden 300 gulden.
· Stedelijk gymnasium ’s-Hertogenbosch: rector 2000 gulden
. een conrector 1500 gulden Praeceptor aan het stedelijk gymnasium van Groningen 1600 gulden
· professoren van 4000 gulden tot 6000 gulden